Opinie

Waarom hebben we eigenlijk een parlement?

Politiek Recente kritiek op de Tweede Kamer is een echo van al oudere kritiek. Het parlement moet alle zeilen bijzetten om de nationale arena van debat en besluitvorming te zijn, schrijft .
Illustratie
Illustratie Nanne Meulendijks

‘Meneer de minister-president, ik ben heel benieuwd naar uw antwoord daarop, als u de vraag überhaupt gehoord heeft.” FVD-fractievoorzitter Baudet laat een stilte vallen tijdens het marathondebat over de dividendbelasting. Het is een handigheidje dat docenten ook weleens gebruiken om een wegdommelende student bij de les te houden. Minister-president Rutte, aan wie Baudets vraag gericht is, lijkt niets in de gaten te hebben en pingelt onverstoorbaar verder op zijn mobieltje. Maar de Tweede Kamer is geen collegezaal; Kamervoorzitter Arib helpt hem op hoffelijke wijze uit de brand: „De premier antwoordt later.” Rutte wakker, gelach in de zaal, over tot de orde van de dag – of gebeurde hier misschien toch iets belangrijks?

De Tweede Kamer ligt al langere tijd onder de loep. Er is veel geschreven over bijvoorbeeld de versplintering en het aantal fracties in het parlement. De kabinetsformaties zouden te lang duren. Afsplitsende Kamerleden of ‘zetelrovers’ zouden moeten worden ontmoedigd. Er moeten kiesdrempels ingevoerd worden. Veel minder wordt opgemerkt dat er inmiddels drie parlementscritici van zeer diverse pluimage in ons parlement zelf aanwezig zijn: PVV, Denk en FVD. Hun kritiek en methoden zijn verschillend.

Denk gebruikt het parlement regelmatig als agitatieplatform. Kamerleden met een Turkse achtergrond zijn het doelwit van handig geknipte video’s – „kleur bekennen”, noemde Denk-fractievoorzitter Kuzu dat. Ook wordt regelmatig de confrontatie gezocht met Tweede Kamervoorzitter Arib, die volgens Denk-Kamerlid Öztürk een „kruistocht” tegen zijn partij zou voeren en ze ongelijk zou behandelen. Hij vroeg zich hardop af of Arib in haar geboorteland Marokko aan de kant van de Franse bezetter zou hebben gestaan.

De stamvader van de moderne parlementscritici is echter het op twee-na-langstzittende Kamerlid: Geert Wilders. In 2015 sprak hij voor het eerst in het parlement van een „nepparlement”. Door hem en zijn partij graag uitgelegd als een aanklacht tegen de gebrekkige representativiteit van de Tweede Kamer, bijvoorbeeld als het gaat over migratie: „een nepparlement dat niemand vertegenwoordigt”. In hun boek Nepparlement? gaven twee UvA-politicologen Wilders – vast tot zijn eigen schrik – ook nog deels gelijk. De Tweede Kamer blijkt op punten als de EU en integratie inderdaad niet heel representatief. Dat laat natuurlijk onverlet dat de kwalificatie ‘nepparlement’, zoals gebruikt door de PVV, wel wat meer venijn krijgt in het licht van haar grondrechten-aantastende verkiezingsprogramma en bredere delegitimering van cruciale instituties – Wilders spreekt ook over „neprechters”.

Politici die naar het scherm voor hun neus turen

Waar Wilders verbaal weliswaar de stormram hanteert, loopt hij verder vrij keurig in de pas met ‘hoe het gaat’ in het parlement. Denk is dan veel meer een ontregelaar, klagend over vermeende ongelijke behandeling. FVD valt ook in die laatste categorie, maar ontregelt op een andere, meer fundamentele manier. Neem het voorval van Rutte en zijn mobieltje. Het is tegenwoordig volstrekt normaal dat Kamerleden en aanwezige bewindslieden naar hun telefoon- en iPad-schermen zitten te turen tijdens debatten. Toch een beetje vreemd voor een debatzaal, nietwaar? Althans, als je ervan uitgaat dat in het parlement discussie plaatsvindt; een uitwisseling van standpunten. Ook Kamervoorzitter Arib heeft het regelmatig aan de orde gesteld. Ze heeft zelfs al een keer de telefoon van 50Plus-Kamerlid Van Rooijen ingenomen.

Het is een illustratie bij een fundamentelere aanklacht van Baudet tijdens de algemene beschouwingen in 2018. Dat debat is het spektakelstuk van het parlementaire jaar: de plannen van de regering worden gefileerd door een Tweede Kamer op oorlogssterkte. Baudet had zich in dat steekspel echter niet gemengd. „Beneden mijn waardigheid”, gaf Baudet als verklaring, toen het debat bijna over was. Zijn kritiek: het maakt toch niet uit. Alles ligt vast in een regeerakkoord, er zijn speeches met voorbereide quotes, maar niemand gaat werkelijk van mening veranderen en de regering al helemaal niet.

Dat ‘beneden mijn waardigheid’ was natuurlijk onhandig; Baudet nam zijn woorden later zelfs terug. De uitspraak werkte in de Kamer zelf in ieder geval als een rode lap; zowat iedere fractievoorzitter snelde naar de interruptiemicrofoon om zijn of haar afkeuring uit te spreken, waarbij er enthousiast op de Kamerbankjes getrommeld werd. Maar op het punt zelf werd verder niet ingegaan. Na afloop gaf een enkele commentator Baudet nog wel gelijk, maar een echt debat kwam niet van de grond, niet binnen en niet buiten de Kamer.

Waar is het parlement voor?

Dat was een gemiste kans. Met inmiddels drie uitgesproken parlementskritische partijen in de Tweede Kamer kan het geen kwaad de waarde van het parlement nog eens onder woorden te brengen.

Baudets klacht is niet nieuw. In Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus (1923 en 1926) en zijn Verfassungslehre (1928) beklaagt Carl Schmitt, de jurist en rechtsfilosoof die vanaf 1933 zou collaboreren met de NSDAP, zich al over het gebrek aan werkelijke discussie in het parlement. Kiezers worden middels massale propaganda overgehaald om te stemmen, die stemmen bepalen vervolgens de onderhandelingspositie van de partijen in het parlement, waarna de belangenuitruil door deze partijen kan beginnen. Het parlement wordt een handelshuis, stelt Schmitt. De parlementaire normen van onafhankelijkheid en immuniteit voor vervolging zijn niets meer dan een „overbodige versiering”: „nutteloos en zelfs gênant”. Besluiten worden nog enkel afgekondigd in het parlement. Als ritueel worden er dan voorafgaand aan die afkondiging nog wel toespraken gehouden, maar op het spel staat niets meer. Het parlement is losgezongen van zijn eigen principes: een overbodig „leeg apparaat” dat alleen nog overeind staat uit louter „mechanische volharding”.

Het is niet moeilijk trekken van Schmitts analyse terug te zien in het functioneren van ons huidige parlement. Maar dit gebrek-aan-discussie-argument van Schmitt (en nu Baudet) is ook al op allerlei manieren van repliek voorzien. Er heeft zich een hele literatuur ontwikkeld die Schmitt op dit punt tegenspreekt. Het parlement is, zo wordt gesteld, simpelweg een praktisch antwoord op een schaalprobleem – het maakt democratie mogelijk voor grote groepen mensen. Discussie zou überhaupt nooit het fundamentele beginsel van het parlement zijn geweest, is een ander weerwoord, en het hoeft ook niet het fundament te zijn: als er maar ‘publieke goedkeuring’ van besluiten is.

Illustratie Nanne Meulendijks

Schmitt had echter ook nog een ander punt, en dat stelt het parlement voor een meer existentiële vraag. Schmitt stelt dat het parlement ook een tweede funderend principe heeft: openbaarheid. Niet alleen ontbreekt discussie in het parlement, het is volgens Schmitt in de jaren twintig ook niet meer de plaats waar de echte besluiten worden genomen. En een van de grote verdiensten van het parlement was juist dat het besluitvorming in de openbaarheid bracht. Het parlement was volgens Schmitt ontstaan in de strijd tegen de achterkamers en de „geheime politiek van absolute vorsten”. Voortaan zouden besluiten genomen worden op een zichtbare, voor ieder toegankelijke plek: het parlement.

Waar worden de besluiten genomen?

De macht heeft zich in de loop der tijd niettemin weer versluierd – bij de echte besluiten is het publiek niet aanwezig. Ze worden beklonken „achter gesloten deuren” in „de kleinere en kleinste comités”. Ook op dit punt is het niet moeilijk Schmitts analyse te herkennen in onze huidige politiek. Denk alleen al aan het zogeheten ‘maandagoverleg’ van het kabinet-Rutte II, uitgebreid in deze krant beschreven eind 2016, waarin de hele politieke week door twee bewindslieden en twee fractievoorzitters minutieus werd voorgekookt. ‘Landingsrechten regelen’, heette dat.

Schmitts analyse verplaatsen naar onze tijd brengt een nog veel grotere uitdaging in beeld. In tegenstelling tot in de tijd van Schmitt, functioneert ons nationale parlement nu ook nog eens in een veel onoverzichtelijker web van instituties. Zo is er de invloed van de Europese Unie, met een voor burgers niet altijd even doorgrondelijke stroom aan regelgeving. Er is een ‘verplaatsing’ van politieke vraagstukken naar de nationale of internationale rechtszaal, ten dele aangezwengeld door belangengroepen die de rechter steeds meer als alternatief voor de politieke arena gaan zien – klimaatgroep Urgenda kreeg van rechtbank en hof al gelijk. Tel daarbij op de toename van monitoringsinstanties en ‘tegenmachten’, al dan niet gerechtvaardigd door nieuwe democratieconcepties als ‘monitoringsdemocratie’ of ‘tegendemocratie’.

Die ontwikkeling heeft onmiskenbaar voordelen: zo maakt Europese regelgeving bijvoorbeeld een gemeenschappelijke markt mogelijk. En: andere instituties kunnen extra ‘checks and balances’ vormen. De uitdaging is dat al die verschillende, op elkaar inwerkende, krachten ons democratische bestel steeds onoverzichtelijker maken: een nieuwe ‘versluierdheid’, waardoor nog meer dan in Schmitts tijd macht en besluitvorming aan het zicht worden onttrokken.

Zichtbaarheid en zelfbewustzijn

Politiek vergt een kristallisatiepunt: weten waar en door wie het besluit wordt genomen. In zijn laatste boek wijst Luuk van Middelaar daar op, ten aanzien van de EU: het ontbreken van zo’n politiek „aangrijpingspunt” leidt tot een gebrekkige „leesbaarheid” van de Europese politiek. Het probleem van die gebrekkige leesbaarheid speelt echter evenzeer, of des te meer, op het nationale niveau – en het wordt daar enkel versterkt door Europese bestuurslagen.

Een zelfbewust nationaal parlement, Tweede en Eerste Kamer, zou over die ontwikkeling na moeten denken. Hoe kan het blijven functioneren als zichtbaar knooppunt in een steeds ingewikkelder web van macht en besluitvorming? Moet de rol van nationale parlementen in de Europese Unie niet veel groter, of zelfs leidend worden? Zou je voor soevereiniteitsoverdracht niet een verzwaarde meerderheid moeten eisen, zoals het recent gesneuvelde voorstel-Van der Staaij wilde voor EU-verdragen? En hebben Kamerleden niet veel meer ondersteuning nodig om zich überhaupt nog effectief te kunnen oriënteren in die kluwen van nationale en internationale regels? Een petitie voor meer ondersteuning is al gestart. Nog een stap verder: moet de Eerste Kamer niet een Europese Kamer worden – volledig gericht op het controleren van wat er in Brussel gebeurt? Het zijn enkele aanzetten. Misschien kan een Kamerlid eens een balletje opgooien bij de komende Algemene Beschouwingen – kan nog een aardige discussie opleveren.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.