Verpauperd Port Arthur moet weer gaan bruisen

Fossiele economie Olie- en havenstad Port Arthur leed een kwijnend bestaan. Maar onder president Trump investeert de olie-industrie weer volop. Bewoners van de vervuilde stad hopen dat zij er ook van profiteren.

Twee enorme raffinaderijen, Motiva en Valero, domineren Port Arthur en slokken er steeds meer grond op.
Twee enorme raffinaderijen, Motiva en Valero, domineren Port Arthur en slokken er steeds meer grond op. Foto Inge Hondebrink

Wat misdaad en verval betreft, is Port Arthur nog geen Detroit. Maar de stad – met ruim 50.000 inwoners zo groot als Terneuzen – scoort hoog. Het aantal misdrijven in verhouding tot het inwonertal ligt er bijna 60 procent hoger dan het Amerikaanse gemiddelde. Daarnaast is de stad aan de Golf van Mexico erg smerig. Niemand gaat er vrijwillig wonen, zeker niet in de West Side, een buurt ingeklemd tussen spoorlijn en zware industrie. Vlak ernaast begint downtown, met gebouwen uit de tijd dat dit het kloppend hart van de Texaanse olie-industrie was. Ze staan al decennia leeg. Uit de ramen van het ooit fameuze federale postkantoor groeien bomen. Er is zelfs een plan geweest Hollywood uit te nodigen de binnenstad te gebruiken voor explosiescènes.

Toch is er kans op een kentering nu een grote oliemaatschappij dit voorjaar een koopcontract tekende voor twee historische gebouwen, met het doel die te restaureren. Hilton Kelley en Michelle Smith, die ijveren voor een betere stad, wachten geduldig af: „Slechter dan nu kan het niet worden.”

De 33-jarige Nederlands-Amerikaanse Michelle Smith kwam zes jaar geleden naar de West Side om voor haar oma te zorgen, tot die vorig jaar overleed. Oma Smith trok in de jaren vijftig van het platteland naar Port Arthur, waar een kwart van de bevolking in de raffinaderijen werkte. Little New York, noemde oma het. Zakenlieden van heinde en verre logeerden in het tien verdiepingen hoge beaux arts-hotel Sabine. En oma maakte een paar honderd meter verderop olietanks schoon.

Michelle Smith: „Wat mij schokt, is dat mensen er in deze stad van uitgaan dat ze vroeg of laat aan kanker doodgaan.” Foto Inge Hondebrink

„Ze was een taaie”, zegt kleindochter Michelle. Maar toen ze over rugpijn begon, was de tumor al te groot. De kanker van oma Smith is niet uitzonderlijk in Port Arthur; het is eerder bijzonder dat ze 81 is geworden. Michelle: „Wat mij schokt, is dat mensen van mijn leeftijd er in deze stad van uitgaan dat ze vroeg of laat aan kanker doodgaan.”

Port Arthur is niet alleen smerig, maar ook gevaarlijk. Het aantal moorden per jaar is er dubbel zo hoog als het Amerikaanse gemiddelde van bijna 5 per honderdduizend inwoners. Ter vergelijking: in Nederland schommelt het moordcijfer rond één per honderdduizend.

Oma’s huis verkopen is geen optie. Het brengt – als er al een koper te vinden is – niet meer op dan twintigduizend dollar. Om de hoek bij Michelle zijn twee illegale kroegen. Eentje heeft de bijnaam bucket of blood: emmer bloed. Ze gaat ’s avonds niet uit, mijdt groepen mensen: „Er is altijd wel iemand met een mes of pistool.” Om het kwaad te bezweren, ligt haar bijbel thuis open op psalm 91: „Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.”

Verschil maken

Een ontmoeting met Hilton Kelley, voorvechter van een schoner en veiliger Port Arthur, deed Michelle besluiten ondanks de vervuiling en de criminaliteit in de stad te blijven. Hij vroeg haar voor zijn bewonersvereniging CIDA. Haar Nijmeegse studie bedrijfskunde kon goed van pas komen, dacht hij.

Michelle hoefde niet lang te denken: „Hier in Port Arthur kun je écht een verschil maken. Het is te gek voor woorden wat mensen dagelijks moeten inademen.” Sindsdien strijden „Mr. Kelley”, zoals ze hem altijd noemt, en zij in ‘de oksel van Texas’ tegen vervuiling en vóór herstel van de stad.

Bij een glimmende SUV staat de twee meter lange Hilton Kelley te wachten. „In je lange leren jas”, lacht Michelle, „voor serieus bezoek!” De bijna 60-jarige activist en dichter werd geboren pal naast de enorme Valero-raffinaderij. „Het stonk elke dag naar zwavel.” Daar kreeg hij hoofdpijn van, maar „iedereen had hoofdpijn”. Zijn moeder was 17 jaar bij zijn geboorte; een jaar later volgde een broertje. Ze woonden in bij oma in Carver Terrace, het eerste socialewoningbouwproject in de West Side.

Als de karakteristieke panden zijn gerestaureerd, wordt alles beter in Port Arthur, hopen bewoners. Foto Inge Hondebrink

Kelley kan zich nog het Port Arthur van zijn jeugd voor de geest halen. De mensen van de West Side voeren op zee of werkten in een fabriek. Hun kinderen kochten ijsjes in de drive-in ijssalon. „We fietsten met zijn allen naar de Seven Up-fabriek om door het raam naar de ronddraaiende flessen te kijken.” Hij herinnert zich de nachtclubs met het Bring Your Own Bottle-beleid. Hij wil dat de stad weer gaat leven.

Na Carver Terrace volgden meer socialewoningbouwprojecten. Al snel woonde twee derde van de vijftienhonderd huishoudens in goedkope huurappartementen. Tussen deze Afro-Amerikaanse buurt en het toen nog bruisende Port Arthur reden dagelijks olietreinen van de raffinaderijen naar de zeehaven. Als de bellen rinkelden, kon niemand de wijk in of uit – ook ambulance, brandweer en politie niet. Pas eind jaren zestig werd een tunnel onder het spoor aangelegd. Kelley: „Er moest eerst een kind sterven. Omdat de spoorbomen dicht waren, haalde hij het ziekenhuis niet.”

De industrie bleef groeien en de West Side kwam steeds meer in de knel. Tegelijkertijd werd het werk specialistischer. De beter opgeleide middenklasse verdween naar naburige steden; bij elke ploegwisseling staan er nu files vanuit het Texaanse binnenland. De stad verpauperde en in de West Side, waar de armste mensen achterbleven, steeg de werkloosheid tot ongekende hoogte.

De bijna 60-jarige activist en dichter ‘Mr. Kelly’ werd geboren pal naast de enorme Valero-raffinaderij. Foto Inge Hondebrink

Kniehoog onkruid

Een reclamezuil aan het begin van Terminal Road meldt in kleurige letters: „West Port Arthur – City by the sea”. Sommige straten zijn maar half bebouwd; waar ooit huizen stonden, groeit nu kniehoog onkruid. Verderop, bij lila geschilderde appartementenblokken, oogt het wat vrolijker. „Verboden voor wapens”, meldt een bordje. Voor een van de panden gluurt een vijftal mannen vanonder hun hoodies naar passerende auto’s. Aan een ijzeren trap zit een pitbull vastgebonden; hij kan net niet bij zijn water.

Intussen is de industriële honger naar land nauwelijks te stillen. Eigenaar van de Motiva-raffinaderij Saudi Aramco, de Saoedische staatsoliemaatschappij, wil de komende jaren 6,6 miljard dollar investeren in Port Arthur en andere locaties langs de Golf van Mexico. Ook de Valero-raffinaderij dijt gestaag uit in afwachting van de drieduizend kilometer lange Keystone XL-pijpleiding voor Canadese teerzandolie. Het omstreden project dat president Obama stillegde, werd niet lang na het aantreden van diens opvolger Trump hervat. De twee megaraffinaderijen verwerken nu al meer dan 150 miljoen liter olie per dag. Op nog geen tachtig meter van het met camera’s en bewapende bewakers beveiligde industrieterrein zijn tieners fanatiek aan het basketballen. Daar lag ook Carver Terrace dat een paar jaar geleden door bemiddeling van Hilton Kelley onbewoonbaar werd verklaard en nu gesloopt is.

Lees ook: deze reportage uit 2018 uit Montana, over de aanleg van de Keystone XL-pijpleiding.

Met zijn CIDA diende Kelley namens de bewoners klachten in. Zo kwam Port Arthur op de toezichtlijst van de federale milieudienst te staan. Toen Motiva in 2006 weer eens wilde uitbreiden, dwong hij een good neighbour agreement af, waarin de raffinaderij een fonds voor lokale activiteiten toezegde. Een jaar later kreeg CIDA gedaan dat het vele geld uit boetes voor illegale uitstoot en andere milieuovertredingen deels terugstroomde naar de gemeenschap. Valero betaalde voor het lokale gezondheidscentrum, Motiva voor het gemeenschapshuis.

Voor zijn inzet ontving Kelley in 2011 de Goldman Prize, ook wel de groene Nobelprijs genoemd. Het meest recente succes, waar Michelle hard aan meewerkte, is de door Valero betaalde stadstuin, bestemd voor groenten. Broodnodig, want als je langs Houston Avenue Port Arthur uitrijdt, kom je pas na ruim 10 kilometer benzinepompen en fastfoodtenten een echte supermarkt tegen. „Ze zien eindelijk in dat ze iets terug moeten doen”, zegt Kelley enigszins wrang.

Economie boven alles

Bill McKoy, de 72-jarige voorzitter van de regionale Kamer van Koophandel, is een Texaan van de vijfde generatie. Net als Kelley heeft hij, zo zegt hij, het beste voor met Port Arthur. Maar economie gaat boven alles, ook boven de bewoners. Dat luchtvervuiling hun gezondheid ondermijnt, gelooft McKoy niet. Dat is „activistenpraat”. De „fabels” over klimaatverandering vindt hij een „scare tactic”, bedoeld om controle over de mensen te krijgen. Puur socialisme! Daarom is het heel goed dat Amerika niet meer meedoet aan het Klimaatakkoord van Parijs: „Trump zegt: zorg voor jezelf, ga door met wat je altijd deed en geef de wereld wat ze wil: onze olie en ons gas!”

Lees ook het nieuws van afgelopen donderdag: Trump wil streng methaanbeleid van Obama terugdraaien

McKoy ziet geen toekomst zonder fossiele brandstoffen, en daar speelt Port Arthur een sleutelrol in. Daarom krijgen bedrijven aantrekkelijke belastingvoordelen. „Zij gaan vóór alles. Ik ben realist; zo zit de wereld in elkaar. Wie anders denkt, leeft in Lalaland!”

Intussen zet president Trump zijn energiebeleid gebaseerd op fossiele grondstoffen voort. De schoorsteen moet blijven roken. Waar liggen voor Port Arthur de grenzen aan de groei? Volgens Bill McKoy zijn die er niet. Wat hem betreft wijkt de binnenstad voor de grote bedrijven. „Zonder industrie zou de wereld niet bestaan. Free enterprise stuwt dit land met zijn dollars voort, niet de regering.”

Hotel Sabine, negentig jaar oud, staat te koop. Het vervallen pand werd ooit bevolkt door zakenlieden van heinde en ver. Foto Inge Hondebrink

Hilton Kelley ziet de toekomst van Port Arthur anders. Als Motiva straks het monumentale postkantoor en het World Trade Building heeft gerestaureerd, wordt alles beter, hoopt hij. Ook het beroemde, negentig jaar oude Hotel Sabine staat te koop – voor vier ton. Motiva heeft al interesse getoond. Opknappen en verwijderen van asbest kost naar schatting drie miljoen dollar. Dan moet het gebouw nog worden ingericht, maar uiteindelijk is het een koopje, vindt Kelley. Vele honderden kantoormensen zullen in de binnenstad werken. „Dit is precies wat we al jaren willen, met industriegeld de lokale bedrijvigheid aanjagen.” Een deel van de stad verkopen aan Motiva, in grootte de vijfde raffinaderij ter wereld, is volgens hem waarschijnlijk de enige kans om Port Arthur te laten herrijzen.

Misschien krijgen dan ook de rondhangende jongeren van de West Side een kans. „We moeten ze klaarstomen voor een nieuwe toekomst”, zegt Kelley enthousiast.

Discipline

In een grote loods in de West Side slaat een tiener met een band om zijn dreadlocks met volle kracht in op zijn coach. Ex-bokser Kenneth Shepherd werkt als vrijwilliger in de Lion Hearted Boxing Academy. „Ieder kind dat we van de straat kunnen houden, is winst.”

Port Arthur Boxing School: „Ieder kind dat we van de straat kunnen houden, is winst.” Foto Inge Hondebrink

CIDA steunt de boksclub. Kelley: „Alles draait om discipline.” De regels in de club zijn strikt; geen alcohol, geen drugs, niet rondhangen, op tijd komen en geen afzakkende getto-jeans. „We maken ze kampioen, dat geeft zelfvertrouwen. En we drukken ze op het hart dat onderwijs boven alles gaat.”

De vraag is wel of de huidige bewoners straks de dure koffie en het fancy food op de benedenverdieping van Hotel Sabine kunnen betalen. En of de werkloosheid in de West Side echt zal dalen. Kelley is optimistisch: „Port Arthur gaat weer bruisen. Ook voor onze mensen zal het leven beter worden. Michelle, laat de champagne maar aanrukken!”

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (http://www.fondsbjp.nl)
Bekijk ook de multimediale productie. Deze is alleen op desktop te bekijken.