Rivierkreeft is slecht voor de sloot maar goed voor het diner

Wat wil het dier? Wie dagelijks met dieren werkt, leert ze écht kennen. Deze week: de Amerikaanse rode rivierkreeft graaft holen in weilanden. Matthijs Makop vangt ze.

Er klinkt een zacht getik in de bestelbus van Matthijs Makop. Het geluid is afkomstig uit de grijze kratten achterin: tientallen rivierkreeften – elk zo’n 10 centimeter groot – tikken met hun pootjes en hun scharen op het plastic. Alsof ze, net uit de fuik, hun ledematen even willen strekken.

Zonder aarzelen steekt Makop (19) zijn hand in de bak en haalt er een kreeft uit. „Kijk, bij dit exemplaar kun je mooi zien hoe puntig de scharen zijn. Als hij ze sluit, bewegen die puntjes langs elkaar heen, net een nagelschaartje.” Zelf voelt hij de sneetjes in zijn huid al niet eens meer. „Geknepen worden hoort bij het vak.”

Duizenden per week

Rivierkreeften vangen is een zeldzaam beroep – Makop schat dat hij een van de twintig beroepsvissers in Nederland is met een vergunning voor kreeftenfuiken. Tussen 1 december en 1 september vangt hij duizenden rivierkreeften per week, omgerekend zo’n 200 kilo, uit sloten in de Alblasserwaard. De gevangen exemplaren verkoopt hij aan groothandels en restaurants – rivierkreeftenvlees wordt gezien als delicatesse – maar het primaire doel van de fuikenvangst is beheer.

Sinds de Amerikaanse rode rivierkreeft (Procambarus clarkii) in 1984 voor het eerst in de Nederlandse natuur werd aangetroffen (vermoedelijk na een ontsnapping uit een aquarium), heeft de soort zich razendsnel verspreid, vooral in Noord- en Zuid-Holland. Makop: „Van de term Amerikaans word ik chagrijnig. Je kunt beter spreken van de Hollandse rivierkreeft – een soort die zich al vijftig, zestig generaties geleden gevestigd heeft, hoort hier wel thuis, vind ik.” De kreeften zorgen voor overlast doordat ze holen graven in de oevers van weilanden. „Zo hoog mogelijk, zodat ze lekker droog zitten en hun woning niet volloopt met water.” Daardoor kan de bodem verzakken, met zwikkend vee als gevolg. En dus gaat Makop vier, vijf keer per week langs zijn fuiken – soms controleert hij er honderd per dag. „Rivierkreeften zijn nachtdieren. In het donker gaan ze op zoek naar lekkere hapjes: waterplanten, dode vissen. Als je honderden kreeften in een slootje hebt rondscharrelen, dan daalt het zuurstofpeil zodanig dat ze op adem moeten komen in hun holen.”

Bij warmte stollen de oogeiwitten

Tijdens hittegolven laat Makop de dieren met rust. „Dan is er minder zuurstof in het water, en zijn ze minder actief. Bovendien verbranden hun oogjes bij temperaturen boven de 30 graden. Dan stollen de oogeiwitten, en dan kun je ze niet meer vers aanleveren aan de groothandel.” In koude winters zitten de kreeften ook liever in hun holen dan in de sloot. De ideale periode om kreeften te vangen is daarom het voorjaar: niet te warm, niet te koud. „In het najaar is het verboden om fuiken te plaatsen, omdat de palingen dan naar hun paaigronden trekken.”

Foto’s Rien Zilvold

Makop haalt een nieuwe fuik binnen: tientallen kreeften, twee levende bittervoorntjes – „die mogen terug” – een half aangevreten grote modderkruiper en een los kreeftenschaartje. „Waarschijnlijk van een jonge soortgenoot die ze met z’n allen hebben opgeknabbeld in de fuik. Verschalende kreeften hebben een weke huid en vormen een makkelijke prooi.” Dat verwisselen van hun pantser doen volwassen kreeften één keer per jaar, maar jonkies doen het eens per week. „Die worden dan ook vaak opgesnoept door reigers, eenden en snoeken.” Een kreeft met een harde schaal is veel minder smakelijk. Makop grabbelt weer een kreeft tevoorschijn. „Zie je die kleine bultjes? Die schuren behoorlijk in de maag. Veel te pijnlijk dus bij het doorslikken.” Hij keert de kreeft om. „Bij dit exemplaar zijn de bultjes rood. Maar bij deze” – nog een graai in de bak – „zijn de bultjes wit. Dit is de gestreepte rivierkreeft, Procambarus acutus, met een zwarte streep op zijn staart. Een paar centimeter kleiner dan de rode rivierkreeft, en zeldzamer: je vindt hem alleen hier en in Friesland.” Voor de smaak maakt het niet uit. „Zelfs fijnproevers merken het verschil niet.” In inkomsten scheelt het wél: de gestreepte exemplaren zijn algauw 20 gram lichter. Eén kilo kreeft levert tussen de 8 en 14 euro op.

Na elke fuikvangst pikt Makop de jonge kreeften ertussenuit, en werpt ze met een boog terug in de sloot. „Die mogen nog even doorgroeien.” Het liefst vangt hij kreeften van 3 jaar oud. „Die zijn toch al hoogbejaard.”

Af en toe lopen de vrouwtjes naar de sloot

Opvallend is dat de kreeften onderling flink van kleur verschillen: sommige zijn duidelijk donkerrood, andere zijn grijzer. „De rode exemplaren zijn seksueel actief, of bevruchte vrouwtjes.”

Zo’n vrouwtje graaft zich van bovenaf in het weiland in, vertelt Makop. „In dat kuiltje leggen ze 100 tot 500 eitjes.” Af en toe lopen de vrouwtjes op en neer naar de sloot om vers water voor hun ongeboren kroost te halen. „Als de baby’s er eenmaal zijn, dan kruipen ze onder de staart van hun moeder, die ze meeneemt naar een ondiepe, modderige sloot – daar zwemmen geen roofvissen rond. Stuk voor stuk worden de jonge kreeftjes afgezet op een eigen plekje.” Bevalt het ze er niet, bijvoorbeeld omdat er te weinig zuurstof is, dan kruipen ze snel weer onder de moederstaart terug. „Soms zie je die vrouwtjeskreeften de fietspaden oversteken, op zoek naar een geschikte sloot voor nageslacht. Als ze zich aangevallen voelen, dan nemen ze een dreigende houding aan, met de scharen in de lucht. In werkelijkheid kunnen ze er niet zoveel kwaad mee verrichten – de scharen zijn vooral geschikt om voedsel vast te pakken. Sterk genoeg om de fuiken kapot te knippen zijn ze niet.”