Opinie

De winkelier en zijn slot

Frits Abrahams

Sommige verhalen kun je niet verzinnen, zoals het verhaal dat een winkelier uit een middelgrote provinciestad mij onlangs vertelde. Hij woont niet zelf boven zijn winkel, de ruimte daar heeft hij als woning tijdelijk verhuurd aan een vrouw. Zij kan deze woonruimte alleen bereiken via een trap in de winkel. In een weekend belde zij hem op met de mededeling dat zij de winkel niet kon binnenkomen omdat het slot van de toegangsdeur kapot was. De winkelier hoefde niet te komen, ze zou wel een paar nachten op een ander adres logeren.

Op dinsdagmorgen, toen de winkelier weer aan het werk ging, zag hij dat het slot was dichtgelijmd. Een plaatselijke sleutelwinkel kon hem niet zo snel helpen, hij moest het zelf zien op te lossen. Terwijl hij aan het slot stond te frunniken, stapte een jonge man uit een auto die tegenover de winkel geparkeerd stond. Hij vroeg wat er aan de hand was. „Slot vernield”, mompelde de winkelier. „Dat is mij ook weleens overkomen”, zei de man, een vriendelijke twintiger.

Samen bogen ze zich over het slot, maar ze kregen het niet geopend. Er moest een goede slotenmaker bij komen, zagen ze in, en de man wist wel een ervaren vakman – hij belde hem meteen. De winkelier had geen andere keus. Zijn winkel moest open, want hij had afspraken met klanten en de afgegrendelde achteringang was niet toegankelijk.

De slotenmaker, ook een jonge man, was snel ter plekke. De eerste man had toen al afscheid genomen en was in zijn auto vertrokken. De slotenmaker probeerde de achterdeur te forceren, maar kwam tot de ontdekking dat de batterij van zijn boor leeg was. Gelukkig kende hij een collega die wel even wilde komen helpen.

Niet lang daarna meldde zich deze tweede slotenmaker met een batterij. Ze vervingen samen het slot van de achterdeur en vervolgens het dichtgelijmde slot van de voordeur. „Dit slot is beter”, zei een van hen, „als ze het weer willen dichtsmeren, zal de lijm er gewoon langslopen”.

De winkelier was opgelucht. Het was al met al een heel karwei geweest, maar zijn winkel kon weer open. Er moest alleen nog even afgerekend worden. De mannen toonden hem een lijst met tarieven waaruit bleek dat ze voor dit karwei 1.287,44 euro moesten vragen. Of hij dat maar wilde pinnen. De winkelier schrok, maar vooralsnog overheerste de blijdschap dat hij weer aan het werk kon. Hij pinde. Later herinnerde hij zich dat hij ‘Slotenservice’ (met een plaatsnaam) op het pinapparaat had zien staan.

Hij werd pas ongerust toen mensen aan wie hij zijn ervaringen vertelde, opperden: „Misschien ben je wel opgelicht.” Hij deed aangifte. De dienstdoende politievrouw toonde weinig animo om in actie te komen, maar een passerende rechercheur vond het een opmerkelijke geschiedenis en besloot tot nader onderzoek (dat nog steeds loopt). Voor hem was het zonneklaar: hier was een oplichtersbende aan het werk die gestopt moest worden.

De winkelier herinnert zich dat de ‘slotenmakers’ tegen hem zeiden: „Wij zijn door heel Nederland actief.” Dat was vermoedelijk de enige waarheid die ze hem vertelden.

Ik zag in gedachten de drie zwendelaars voor me, een uur na het geslaagde karwei: druk lachend en elkaar complimenterend in de kroeg. Op naar hun volgende slachtoffer, liefst een kleine winkelier.