Dat Roodkapje zich uitkleedde zeiden de Grimms er niet bij

Het Verhaal Deze zomer verkent de wetenschapsredactie de relatie tussen de mens en zijn verhalen. Deze week: de sprookjes van de gebroeders Grimm, die niet van seks maar wel van geweld hielden.
Illustratie Olivia Ettema

Bos, heel veel bos komt er voor in de sprookjes van Grimm. Het is altijd diep en donker met in het midden een huisje waar een oud vrouwtje woont. In dat huisje krijgen de verhalen een dramatische wending. De hoofdpersoon wordt er onverwachts geholpen of raakt er nog dieper in de penarie. Pas buiten het bos zal alles goed komen. Aan het eind worden tegenstanders gruwelijk gestraft.

De Grimmse mêlee van Waldmystik, kwaadaardige stiefmoeders, kindermoord en wrede revanches die, dat is waar, de nationaal-socialisten wel aansprak, werd een tijdlang zó typisch Duits gevonden dat de geallieerden de verkoop van de sprookjes na 1945 zekerheidshalve stillegden.

Maar in de sprookjes die Charles Perrault rond 1690 in Frankrijk verzamelde (de verhalen van Moeder de Gans) komt net zoveel bos voor. Het Franse Roodkapje en het Franse Doornroosje zaten er middenin en het Franse Klein Duimpje even goed. En zij kregen het zwaarder te verduren dan hun Duitse tegenhangers. Het Franse Roodkapje wordt opgegeten door de wolf en komt nooit weerom. Het Franse Doornroosje, zo charmant wakker gekust door de prins, krijgt diens jaloerse moeder achter zich aan. Die blijkt een Menschenfresserin avant la lettre. Ook Klein Duimpje stuitte op een menseneter. Niemand heeft kannibalisme ooit typisch Frans genoemd.

Afgezien van dekbedden, tegelkachels en een enkele adelaar is er weinig typisch Duits aan de sprookjes die de juristen Jacob en Wilhelm Grimm rond 1805 gingen verzamelen en dat was nu juist wel waar ze van uitgingen. Ze dachten dat de sprookjes de Duitse volksziel beschreven en oeroude Duitse normen en waarden met zich mee droegen. Het was zaak de sprookjes zorgvuldig voor het nageslacht te bewaren, begrepen de broers. Breed gedragen is het oordeel dat ze daarin geslaagd zijn. In 2005 kregen ze van Unesco postuum een compliment voor hun ‘wetenschappelijke, systematische documentatie’.

De laatste boerenvrouw of herbergier

Het is een hardnekkig misverstand dat de Grimms onvermoeibaar het Duitse taalgebied afzochten naar de laatste boerenvrouw of herbergier die nog herinneringen had aan de sprookjes uit voorbije eeuwen. De Grimms bleven thuis, ze vonden Kassel landelijk genoeg. Ze haalden hun sprookjes uit de bibliotheek en noteerden ze bij vrienden, kennissen en collega-sprookjesverzamelaars. Van bijna alle sprookjes zijn de bronnen bekend. Ze kwamen van de dames Hassenpflug, onder wie ‘alte Marie’, de dames von Haxthausen, de meisjes Wild, Märchenfrau Dorothea Viemann, die wel veertig sprookjes aanleverde, en nog een twintigtal anderen. De Grimms stelden ze het liefst voor als simpele mensen uit het volk, boerenmensen eigenlijk, maar kenners beschrijven ze tegenwoordig als ‘jonge vrouwen uit de kringen van bourgeoisie en aristocratie’. Assepoester, Sneeuwwitje, Doornroosje, Roodkapje: het zijn damesverhalen. De bittere sprookjes van dragonder Johann Krause, ja, die klinken heel anders.

Het was geen systematische inventarisatie. Wel probeerden de Grimms hun vondsten wetenschappelijk te documenteren. Het eerste deel van de eerste druk van hun Kinder- und Hausmärchen, dat in 1812 verscheen, is overdadig voorzien van noten en toelichtingen. Het werk kreeg maar een zuinige beoordeling van collega’s maar werd toch redelijk verkocht. De oplage van 900 stuks was in drie jaar weg. Deel twee werd een flop en de volgende druk liep ook niet goed.

Daarna heeft Wilhelm Grimm het wetenschappelijk domein stilletjes verlaten. Hij is de sprookjes gaan aankleden, ombouwen en samenvoegen tot ze wél aftrek vonden. Opeens werd de doelgroep ook uitgebreid met kinderen, wat sowieso aanpassingen vereiste. Ondertussen groeide de verzameling sprookjes – én legenden, dierenverhalen, kluchten en raadsels – tot ruim boven de tweehonderd. Om de lezer tegemoet te komen werd in 1825 een Kleine Ausgabe uitgebracht met een selectie van vijftig verhalen. Dat werd de doorbraak.

Fabelachtig gebrek aan fantasie

Je hoeft de sprookjes van Grimm niet mooi te vinden om erdoor gefascineerd te raken. De kwestie is: ze zijn ook niet mooi. Het zijn gekunstelde verhaaltjes zonder noemenswaardige compositie die zó sterk op elkaar lijken dat je ze met geen mogelijkheid uit elkaar houdt als je ze allemaal gelezen hebt. Ze laten een fabelachtig gebrek aan fantasie zien, zoals Walter Scott al zei. Er is geen gebeurtenis of overweging die enige uitwerking krijgt, geen voorwerp dat nader wordt beschreven. Een bos is een bos, een berg een berg, een prins een prins. Wat zou je meer willen weten. Prinsesjes, herstel: koningsdochters zijn altijd lelieblank en hebben altijd lang blond haar en ook alle andere jeugdige hoofdrolspeelstertjes zijn blank en blond tenzij ze Sneeuwwitje heten. Ze zijn vlijtig, proper, spinnen vlas als de beste en gehoorzamen hun vader zonder morren – want het patriarchaat staat als een huis. Maar preuts zijn de prinsesjes niet – het beviel de Grimms voor geen meter.

Het fascinerende is natuurlijk dat de sprookjes helemaal niet kenmerkend waren voor het Duitse taalgebied maar, met lokale aanpassingen, in heel Europa en zelfs ver daarbuiten werden verteld. Moeiteloos zijn thema’s en motieven uit het Oude Testament en de Griekse mythologie aan te wijzen. Dan moeten er wel Diepere Betekenissen in de sprookjes liggen, hebben velen gedacht, en er zijn er ook heel veel gevonden. Denk aan Freud, Jung, het nationaal-socialisme en het feminisme.

Vlotte inzet van de doodstraf

Omdat de sprookjes voortdurend veranderden, elke verteller voegde eigen elementen toe, heeft het weinig zin naar de ouderdom ervan te vragen. Afgaande op de absolute macht van de passerende koningen, op het gehanteerde erfrecht, de vlotte inzet van de doodstraf en het gebruik van buksen en pistolen kun je zeggen dat de verhalen in de late Middeleeuwen zijn blijven hangen. Maar er zijn vreemde anachronismen: koffie, tabak, aardappelen en zelfs een sterrenkijker. Sommige sprookjes zijn misschien helemaal niet oud, denkt Jack Zipes (University of Minnesota), die naging welke beroepen en bezigheden het vaakst worden genoemd. Zipes brengt de vele verarmde, ontslagen soldaten die figureren rechtstreeks in verband met de Napoleontische oorlogen. De verpauperde toestand van de kleermakers is, denkt hij, typisch voor de 18de eeuw en de teloorgang van de gilden.

Dat de Grimms de sprookjes die ze tussen 1805 en 1810 (en later) verzamelden stevig bewerkten staat vast. Het werd pijnlijk duidelijk toen hun oorspronkelijke aantekeningen in 1920 werden teruggevonden in de abdij van Ölenberg (in de Elzas). Vreemd genoegd hielden ze niet op de sprookjes te bewerken: er is een onthutsend verschil tussen de sprookjes uit de eerste druk van de Kinder- und Hausmärchen (1812) en die uit de laatste druk die Wilhelm Grimm nog verzorgde (1857). De verschillende edities staan integraal op internet, iedereen kan dit zelf bekijken.

Jack Zipes en vooral ook Maria Tatar (Harvard University) hebben veel onderzoek gedaan naar de aard van de aangebrachte veranderingen. Het eerste dat opvalt is dat de sprookjes steeds mooier werden gemaakt. Een bron werd een diepe, koele bron, een bos een diep, donker bos. De inleiding bij het sprookje van de prinses die haar gouden bal terugkrijgt van een kikker/prins werd wel vijf keer zo lang.

Het is een eigen verzinsel dat Repelsteeltje zich aan het eind van zijn sprookje woedend in tweeën trekt

De buitenstaander ziet niet direct systeem in de veranderingen. Waarom Assepoester in 1812 nog wel met een door zes paarden getrokken koets naar het bal gaat (zoals ook bij Perrault en Disney) en in 1857 weer niet is een raadsel. Waarom de stiefzusjes van Assepoester (die er bij Perrault genadig van afkomen) in 1857 opeens hun ogen krijgen uitgepikt weet ook niemand. Tatar wijst erop dat de Grimms geregeld gruwel en geweld toevoegden. Opeens voelden ze behoefte te noteren dat de prinsen die Doornroosje tevergeefs probeerden te bevrijden dood in de doornstruiken achterbleven. Dat Repelsteeltje zichzelf aan het eind van zijn sprookje woedend in tweeën trekt is ook een eigen verzinsel.

Zaken als seks en zwangerschap

Met de seks, die in de oorspronkelijke sprookjes een voorname rol speelde, ging het de andere kant op. De Grimms voelden zich ongemakkelijk bij zaken als seks en zwangerschap, schrijft Tatar. De oplettende lezer treft weliswaar nog heel wat sprookjes aan waarin meisjes werkendeweg hun kleren verliezen, maar als de naaktheid te dicht bij de seks kwam grepen de Grimms in. Het was nergens voor nodig om te vertellen dat – en hoe – Roodkapje zich uitkleedde voor ze bij de wolf in bed stapte (zoals in Frankrijk gangbaar is).

Toespelingen op seks werden uit de sprookjes gewipt. Dat de kikker van de prinses met die gouden bal in het bed van de prinses in een prins verandert is snel rechtgetrokken. Dat de prins die Doornroosje wakker kuste gelijk haar hemelbed in duikt (de prinses had geen behoefte meer aan slaap, de hofdames schuiven discreet de gordijnen dicht) laten de Grimms onvermeld. Zoals zij liever zwijgen over het feit dat Rapunzel, na het frequente bezoek van de prins aan haar hoge toren, zwanger was geraakt. (‘Mijn kleren zitten steeds strakker.’)

Incest zonder commentaar

Ook op ander terrein hadden de Grimms hun zorgen. Aanvankelijk lieten ze in het sprookje van de koning die met zijn dochter wilde trouwen (Allerleirauh) de dreigende incest zonder commentaar. Later laten ze raadsheren pro forma zeggen dat dit een zonde is waaruit niets goeds kan komen. Een tweede incestkwestie wordt gewoon onder de mat geveegd. In het vreselijke sprookje van het meisje zonder handen hakt een molenaar de handen van zijn dochter af omdat hij die in wanhoop en uit stommiteit aan de duivel heeft toegezegd. In de oorspronkelijke versie van het verhaal hakt hij handen (en borsten) af omdat het meisje niet met hem wil trouwen. Je zou het een slordige omgang met het Duitse erfgoed kunnen noemen.

Nog zo’n forse ingreep vind je in het sprookje van de twaalf broeders. Daar gaat het (althans in 1812) over een koning met zó’n afkeer van dochters dat hij zijn twaalf zoons uit mededogen wil laten doden als het dertiende kind van zijn vrouw een meisje zou zijn. (En verdomd.) In 1857 is het omgedraaid: de jongens moeten dood om te garanderen dat het lieve kind de volledige erfenis krijgt. Zou het Unesco ontgaan zijn? En zouden ze daar bij de Verenigde Naties wel weten dat de Grimms ook geregeld een moeder in een stiefmoeder veranderden om de tere kinderziel te sparen? Het was de moeder van Sneeuwwitje die opdracht gaf haar te doden. Het heeft geen zin er nog soesa over te maken, ook het Disney-concern heeft de moeder laten verdwijnen.