Opinie

Dan-dus-toch

Marcel van Roosmalen

Een vriend had uit mijn vorige column opgemaakt dat mijn oudste dochter inmiddels naar school ging. Hij wilde weten hoe ik het op het schoolplein vond. Deels uit oprechte interesse, de rest was leedvermaak. „Was het heel erg Luizenmoeder?”

Daar begon mijn ergernis. Na twee jaar Zaanstreek vind ik de wereld die in die televisieserie wordt uitvergroot heel erg Amsterdam. Was het hier maar De luizenmoeder, dan gaat het tenminste nog ergens over.

In dit dorp ken je elkaar – mekaar zeggen ze hier – al je hele leven, en anders is de gemeenschappelijke factor het weer. Goed gespreksonderwerp wel, want als het niet te heet of te koud is, dan toch wel te winderig, te nat of te droog.

Aan het eind van de tweede schooldag nestelde ik me tussen de andere ouders/verzorgers op de bank rondom de grote boom. Een van de moeders vertelde een verhaal, of eigenlijk gaf ze een voorstelling want ze ging er speciaal voor staan.

„Dus ik dacht: ik ruim de auto wel even in.”

Ze deed alsof ze een zware koffer sjouwde.

Wat andere moeders kwamen toen al niet meer bij, de rest zat gevangen in de eigen binnenwereld. Ik dacht: ‘Wat zit er dan in die koffer? Heb je je man soms in stukken gezaagd?’

Ik keek de comédienne op de rug, als ze bukte kroop de kop van de op haar rug getatoeëerde herdershond onder haar gestreepte hemd vandaan. Op haar onderarm stond de naam van haar dochter in blokletters, wat dan wel weer praktisch was.

Ze ging door, in dat knauwerige Zaans. „Had ik alles ingepakt, slippertjes al aan. Wat denk je dat er gebeurt? Regen! Nou, kon ik alles weer uit de auto halen! Want ik ga niet met zo’n weer naar de camping, toch? Dus Danny komt thuis en die zegt: ‘Huh, is de auto nog niet ingepakt, dan?’ Dus ik zeg: Kijk anders even naar de lucht dan. Toch?”

Ze ging zitten, einde voorstelling. Een andere vrouw, duidelijk een vriendin, zei drie keer achter elkaar dat ze zo hard had moeten lachen dat ze blij was dat ze niet in haar afgeknipte spijkerbroek had gepiest, waarop ze haar om beurten ‘tena lady’ noemden.

Het succes van Tineke Schouten verklaard.

Onze juf kwam naar buiten.

Achter haar de kinderen in koppeltjes van twee, hand in hand.

Ze klom eerst in mij en bestormde daarna met twintig anderen het klimrek, waar ‘tena lady’ haar aan haar beentje weer uit wilde trekken

„Hee”, zei ik, „laat dat beentje eens los.”

Ze liet los, mijn dochter schoot omhoog.

Tegen mij: „Ik kan niet tegen voordringen, dat heb ik al mijn hele leven.”

Ik keek naar mijn dochter.

Daar zat ze dan, helemaal bovenin, lachend.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.