Brieven

Brieven

Mijn autistische zoon, die sinds zijn vijftiende in een zorginstelling verblijft, wil niets liever dan ‘normaal’ zijn. Daar hoort nu eenmaal ook het halen van een rijbewijs bij (Is autisme op de weg gevaarlijk?, 28/8). Na zijn achttiende verjaardag heb ik hem met smoezen nog een paar jaar van dit onzalige idee weten af te houden. Het zou een ramp zijn wanneer hij als automobilist aan het verkeer zou deelnemen. Zijn beperking stelt hem niet in staat te anticiperen op andere weggebruikers. Zo vroeg ik hem eens hoe hij zou handelen als er plots een bal de weg op zou rollen. Hij keek mij vol ongeloof aan en antwoordde: „maar mam, ballen rollen niet zomaar de weg op. Die kinderen moeten beter op hun spullen letten. Dan zijn ze gewoon niet goed opgevoed”. Tot mijn verbazing vond de keurende psychiater dat mijn zoon in staat was als automobilist deel te nemen aan het verkeer. Een gesprek van tien minuten was daarvoor voldoende geweest. Toen ik het keuringsrapport las, viel ik van de ene verbazing in de andere. Niets van de rapportage kwam overeen met de werkelijkheid. Mijn zoon had de psychiater voor de gek weten te houden. Toen ik navraag deed bij de medisch specialist, hoe zij tot dit oordeel was gekomen, kreeg ik slechts korzelig antwoord: mijn vragen zouden tot extra kosten leiden. Ik had geen andere keus dan mijn zoon met de lessen te laten beginnen. De autorijschool (gespecialiseerd in het opleiden van autisten) zag er wel brood in. Ze stelden zestig lessen voor. Toen een inspecteur van het CBR eindelijk meereed, oordeelde hij dat voortgang van de lessen zinloos was. Dit gedoe heeft ons veel gekost; hopelijk zijn de voorgestelde extra keuringen een stap in de goede richting.