Recensie

Recensie Muziek

Zuchten, zoenen, muziek en hartstocht in Utrecht

Festival Oude Muziek Fado-achtige levensliederen, rockende klavecimbels, vrijages tussen hoge en lage strijkers: dat is Napels op zijn best. Het is allemaal te horen tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht.

Blokfluitist Erik Bosgraaf was een vindingrijke vertolker.
Blokfluitist Erik Bosgraaf was een vindingrijke vertolker. Foto Marieke Wijntjes

Rare jongens, die Napolitanen. Zeg nou zelf, twee oude straatmuzikanten uit de Italiaanse havenstad besluiten de verveling van een stille dag te verdrijven door op de hemelpoort te kloppen. „Maar jullie zijn nog niet dood”, zegt Petrus. „We komen jullie vermaken”, zeggen de mannen. „Heel het paradijs mag meezingen, want zuchten, zoenen, muziek en hartstocht, die worden nergens gemaakt zoals in Napels. Als jullie daar af zouden dalen, keren jullie nooit meer terug naar dit paradijs.” En ja, beide straatmuzikanten krijgen heimwee, laten de hemel voor wat die is, en keren terug naar Napels.

Een zanger die het kan weten, tenor Marco Beasley, een kind van de stad, bracht dit ‘Dduje paravise’ ten gehore in het Napolitaanse dialect, dat met zijn sj-klank lijkt aan te schuren tegen het Portugees. Bij het Festival Oude Muziek waande je je een uur lang in de intieme atmosfeer van een Italiaanse havenkroeg, waar Beasley met fado-achtige liederen strooide.

Als vergeten hoofdstad van de muziek wordt Napels dezer dagen bemind en bewierookt in Utrecht. „Gooi de ramen eens open, hoor je haar, de stad?”, zong Beasley. Want in niets komt de geschiedenis van een plek beter tot leven dan in muziek, een levende kunst.

Waar veel van Beasleys liederen ontstonden in de vorige eeuw, reisde gambist Jordi Savall met zijn Capella Reial de Catalunya en Hesperion XXI de avond ervoor zo’n vijfhonderd jaar verder terug in de tijd. Hij reeg – zoals vrijwel altijd – weer een prachtige historische parelketting. Zo zette Savall de zwevende hymne ‘Adoramus te’ van Cornago tegenover seksuele metaforen – „ik weet dat je houdt van een volle fles” – uit volksliedjes. Napels is nu eenmaal katholiek: leer en praktijk gaan vaak niet hand in hand.

Eerbetoon aan Farinelli

Dat dit ook voor de muziek zelf geldt, werd pijnlijk helder in het eerbetoon aan de Napolitaanse castraat Farinelli door mezzo Ann Hallenberg en Stile Galante. Dirigent Stefano Aresi reconstrueerde een muzikale avond aan het Spaanse hof, waar de Italiaanse zanger zo’n 25 jaar verbleef. Aresi legde vooraf uit dat daarbij uiteraard geen dirigenten voor het ensemble stonden, waarna hij als een soort bovenmeester demonstratief achter op het podium ging zitten.

Zijn musici zochten vergeefs naar het heilige vuur, zeker in de stukken waar ze op zichzelf waren aangewezen. Gelukkig voor hen, kon Hallenberg met rijkelijk versierde coloraturen in de aria’s het nodige onvermogen verbloemen. De diva was met moeite door Aresi te bewegen tot een toegift. Het wiegelied werd het hoogtepunt, dat dan weer wel. De hele avond lag het accent op Farinelli als vocale circusact, nu mocht de mezzo zich nog even verliezen in mooie lange zanglijnen.

„Zuchten, zoenen, muziek en hartstocht, die nergens worden gemaakt zoals in Napels” kregen de volgende middag volop gestalte bij Holland Baroque in vijf concerten van Durante. Met twee rockende klavecimbels en wisselend wilde en tedere vrijages tussen de hoge en lage strijkers. Barok is nu, vindt het ensemble. En dat betekent: geen nuffige reconstructies, maar het aanboren van de bron van levenslust die onder de noten schuilgaat: Napels op zijn best.

Paspop van de compositie

Een soortgelijke eigenheid die Holland Baroque aan de dag legde, kwam ook naar voren in de optredens van andere instrumentalisten, als celliste Catherine Jones en blokfluitist Erik Bosgraaf. Zij kleedden de paspop van de compositie aan met moderne vondsten en bezieling. In de barok werd veel overgelaten aan de vindingrijkheid van de vertolker, en in die vrije ruimte bloeien Bosgraaf en Jones.

Op zondag kwamen de liefhebbers van het Stabat Mater aan hun trekken, het middeleeuwse gedicht over moeder Maria die moet toezien bij het lijden en de kruisdood van haar zoon Jezus. De emotionele en dramatische kracht van deze poëzie inspireerde honderden componisten.

Het carillon van de Domskerk liet versie van Pergolesi boven de stad klingelen. Binnen vertolkte het gezelschap Ghislieri van artist in residence Giulio Prandi het Stabat Mater van Emanuele d’Astorga. Hier hoefden de woorden en noten geen moeite te doen om los van de aarde te komen. In zuivere en breekbare lijnen steeg de muziek ten hemel.

In TivoliVredenburg gaf Gli Angeli Genève op zondagavond een idee van alle verschillende invalshoeken met liefst vier Stabat Maters: de oudste kwam uit de zestiende eeuw (Palestrina) en de jongste uit de twintigste (Pärt). Begin en einde waren voor twee zonen van Napels: Domenico Scarlatti en Pergolesi. Gli Angeli maakte vooral indruk in Pärt, bij wie de zangers als neutrale nieuwlezers klinken en alle emotie bij de strijkers ligt.