Sportvogelarij

Mohammed Benzakour is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 28: vissen in Groningen

Literatuur en visserij brengen je nog eens ergens. Vorige week verzeilde ik in het Hoge Noorden, in de heerlijke stad Groningen op het heerlijke festival Noorderzon. Daar trad ik viermaal op in een broeierige laadcontainer waar ik een illuster gezelschap mocht trakteren op taalschatten uit de Berberliteratuur. Of m’n zeevisserij er debet aan is dat de organisatie mij opsloot in een scheepsbak kreeg ik niet helder, maar ik voelde me er als een vis in een vijver. Al helemaal met die haringkar om de hoek. Haring in ’t land, dokter aan de kant. Voordragen met een haringlucht uit je smikkel, daar rust zegen op.

Ik kreeg veel lollige, scherpe vragen op me afgevuurd. Een ervan moet ik hier uitlichten, omdat-ie me laatst vaker is gesteld: „Meneer, u schreef zo invoelend over wormen, maar die vissen dan, die doet u toch ook pijn?”

Dit misverstand wil ik voor eens en altijd uit de wereld helpen. Ik pijnig geen vissen voor de lol. Ik ben een panvisser. Ik vis voor de buik. De vis krijgt een tik en vaart naar de hemel. Het stoffelijk overschot serveer ik ’s avonds feestelijk dampend op een schaal. Ik bedrijf geen ‘sportvisserij’, een bedenkelijke handelspraktijk waar miljoenen in omgaan. Ik ben een klassieke jager met een eigen lijfspreuk: „Als je ’m niet lust, laat je ’m met rust.”

Stel u eens voor dat her en der mannen zich schuilhouden in bomen en struiken rondom weilanden en akkervelden. Ze dragen een spanboog bij zich en mikken de godganse dag op merels, spechten, duiven, eksters, ganzen, fazanten, roodborstjes. Het schietnetje moet precies over de vogel heen worden gedrapeerd. Vaak gaat het mis en stort de vogel in paniek naar beneden, knalt tegen een boom, raakt verstrikt, stikt in de mazen, breekt een vleugelbotje, pootje, of staart. Maar het mag want men heeft een vogelpas en meestal gaat het goed en verschijnt er een trots lachend kiekje op Facebook en wordt de vogel, een PTSS rijker, weer vrijgelaten. We noemen dit ‘sportvogelarij’.

Het land zou te klein zijn. Waarom mag dit wel met vissen?

Ik voorspel dat we over vijftig jaar net zo over vissen denken als nu over slavernij.

Daags na mijn containeroptreden trok ik met hengeltuig richting Eemshaven. Het teer op de pier smolt onder m’n zolen terwijl ik uit alle macht mijn dikke wormen richting Borkum wierp. Na een halve dag werkloos turen over de zee moest ik vaststellen dat de vleespotten van Egypte niet op de Eemshaven aanspoelen. Of een boerka had gescheeld betwijfel ik, maar zelden heb ik zo flink achter het net gevist. Groningers zeggen het schunniger: ’n oape ien de kont kiek’n.

Met een leeg emmertje reed ik weer weg en troostte mijzelf met de gedachte: het heet vissen, Mohammed, niet vangen.

Mohammed Benzakour hervat over enige tijd deze serie.