Opinie

Schoonheid zien

Ellen Deckwitz

Onlangs bezocht ik met lievelingsvriend J. het zoveelste festival en op een zeker moment begon het ons toch op te vallen dat al die jongeren er wel heel erg mooi en helder uitzagen. „En dan te bedenken dat dit festivaldag nummer drie is, ze hebben al twee nachten gefeest en moeten inmiddels zo veel chemicaliën in het lijf hebben dat ze bij overlijden gescheiden moeten worden verwerkt!”, zei J.

„Herstelde onze huid zich vroeger net zo makkelijk na een nacht doorhalen?”, piekerde ik.

„Het is natuurlijk ook zo dat festivals anno 21e eeuw meer catwalks dan muziekfestijnen zijn. Op Lowlands of Pinkpop in de jaren negentig liep je rustig drie dagen in dezelfde tuinbroek, hier ziet iedereen eruit alsof ze naar een strandbruiloft gaan”, zei J., „maar toch. Het is niet alleen kleding en styling. Het is ook jeugdigheid. Het valt me sowieso op dat hoe ouder ik word, hoe mooier ik jonge mensen vind. Haast alsof die gloed die jeugd met zich meebrengt, meer opvalt wanneer je zelf aan het aftakelen bent.”

Ik knikte. Laatst bladerde ik weer eens wat door mijn foto-album van mijn eindexamenjaar. Mensen die ik toen niet mooi vond, waren bij nader inzien echt niet onknap. Ze zagen er allemaal zo fris uit, net uit de verpakking, er hing een licht om hen heen. Ook op de middelbare scholen waar ik tegenwoordig lesgeef, lijken jongeren steeds mooier. Misschien omdat tegenwoordig iedereen vanaf zijn zesde een onzichtbare beugel, contactlenzen en een dermatoloog heeft, maar zelfs mijn klasgenoten uit de jaren negentig lijken bij nader inzien echt niet onaantrekkelijk.

Er liep een groepje jongeren langs, amper twintig, de ogen glanzend, de huid egaal, het haar vol. „Misschien is dat wel de wreedste grap die de tijd met ons uithaalt”, zei J., „Als we jong zijn zien we al het moois om ons heen niet. Dan vinden we het normaal. Pas wanneer we ouder en valer worden, zien we veel meer schoonheid, maar maken we er geen deel meer van uit.”

„Dat is helemaal geen wrede grap maar juist een prima ruil! Ik kan nu naar mijn mooie nichtjes van twintig kijken en oprecht gelukkig worden van hun schoonheid. Als ik vroeger een knap meisje zag, voelde ik me meteen bedreigd, maar nu word ik er gewoon blij van.”

„Dus eigenlijk straft de tijd ons met een verlopen kop, maar geeft het ons dan wel meer moois om naar te kijken cadeau”, zei J.

„Wat een win-winsituatie is, want we hoeven zelf niet per se naar onze eigen kop te kijken”, zei ik.

Tevreden liepen we door massa’s schoonheid en voelden ons amper schuldig dat we een inbreuk vormden op het uitzicht van onze medemens.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.