Leermeester van generaties antropologen

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Antropoloog André Köbben (1925-2019) richtte zich op verre volkeren én nabije minderheden.

André Köbben in zijn Leidse werkkamer in 2011.
André Köbben in zijn Leidse werkkamer in 2011. Foto Bram Belloni/Hollandse Hoogte

De sociale wetenschappen in Nederland hebben deze maand een gezaghebbende stem verloren. In Leiden, zijn woonplaats, overleed op 13 augustus André Köbben, emeritus hoogleraar in de culturele antropologie, 94 jaar oud. Als onderzoeker, als leermeester van vele generaties antropologen, én als beleidsadviseur en eigenzinnig essayist was hij hier te lande lange tijd de invloedrijkste representant van zijn vakgebied.

De Nederlandse volkenkunde, in de toegepaste variant van ‘indologie’, beleefde zijn hoogtijdagen in de laat-koloniale periode. Na de onafhankelijkheid van Indonesië, in 1949, verminderde de belangstelling voor het vak. Juist in die vroege jaren vijftig koos de jonge Köbben voor de culturele antropologie, zoals de discipline in navolging van het Amerikaanse voorbeeld was gaan heten.

Hij volgde aanvankelijk het gebaande spoor, veldonderzoek in niet-westerse samenlevingen. Zoals de Agni en Bete van Ivoorkust (1953-1954), beschreven in zijn proefschrift Zwarte Planters, en de Ndyuka-marrons, nakomelingen van gevluchte slaven in Suriname (begin jaren zestig). Na zijn promotie in 1955 aan de Gemeente-Universiteit in Amsterdam (nu UvA) werd hij daar hoogleraar in de culturele antropologie.

De jaren zeventig waren een turbulent decennium in academia, vooral in Amsterdam. Een nieuwe generatie studenten eiste democratisering, en menige sociale wetenschapper-in-de-dop omhelsde het marxisme. Dat gold ook voor collega-hoogleraar Wim Wertheim, die warmliep voor de Volksrepubliek China. Het werd de nuchtere Köbben te veel, hij nam ontslag en werd in 1976 hoogleraar in Leiden.

Dat Köbben een eigentijds, gedekoloniseerd beeld had van de antropologie en haar studieobject, bleek al in 1964 toen zijn handboek voor eerstejaars verscheen: Van primitieven tot medeburgers. In Leiden verlegde hij zijn werkterrein geleidelijk van verre volken naar nabije minderheden. En van etnografisch veldwerk naar beleidsadvies.

Köbben was de drijvende kracht achter het Leidse Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen (COMT), dat zich ging toeleggen op beleidsgericht onderzoek. Daar was een allengs groeiende vraag naar tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977), vooral na de Molukse treinkapingen in 1975 en 1977. De lijnen waren kort: Köbbens vrouw, Atie van Vessem, is de zus van Liesbeth Den Uyl-van Vessem, waarmee hij de zwager van de premier was.

In 1980 bekleedde Köbben de Leidse Cleveringa-leerstoel. In zijn oratie brak hij een lans voor ‘participerende observatie’, de antropologische onderzoeksmethode bij uitstek, onder minderheden – in zijn ogen onmisbare input voor beleid.

André Köbben in 1977 in gesprek met toenmalig minister Van Agt over de Zuid-Molukse minderheid.

Foto ANP

Köbben bleef zijn hele wetenschappelijke leven een pragmatisch empiricist van de Angelsaksische school, wars van wat hij zag als voorbijgaande modes, zoals marxisme en het Franse structuralisme. Dé representant van die laatste school, Claude Lévi-Strauss (1908-2009), werd in intellectuele kringen lange tijd gevierd als een meesterdenker. Niet door Köbben. Die noemde hem in Uren met Lévi-Strauss, een notitie uit 2012, een ‘slecht antropoloog’, die zijn theorieën over verwantschapsrelaties in uiteenlopende culturen nooit empirisch had getoetst. Hij vond hem hooguit een ‘geniale fantast’. Toen de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) hem in 2008 vroeg een korte feestrede te houden op de honderdste verjaardag van Lévi-Strauss, sloeg hij die uitnodiging beleefd af.

Na zijn emeritaat in 1991 bleef Köbben actief. In die periode wierp hij zich op als normbewaker van het wetenschapsbedrijf. Naar aanleiding van de affaire-Stapel, rond de Tilburgse hoogleraar sociale psychologie die onderzoeksresultaten uit zijn duim zoog, hield hij in januari 2012 voor de KNAW de lezing Bedrog in de wetenschap, waarin hij betoogde dat Stapel zeker geen uitzondering was.

Zijn jarenlange ervaring als wetenschappelijk beleidsadviseur verwerkte hij, samen met zijn Leidse collega Henk Tromp, in het boek De onwelkome boodschap (1999). De auteurs behandelen 37 gevallen waarin opdrachtgevers – bedrijven of ministeries – alle middelen te baat nemen om onwelkome bevindingen te verdonkeremanen of te ontzenuwen. Wetenschappers worden onder druk gezet om niet te publiceren of de conclusies aan te passen. Hun bazen geven toe, uit angst voor uitblijvende vervolgopdrachten. Als de onderzoeker zelf weigert, staat hij bloot aan allerhande drukmiddelen: beëindiging van de aanstelling, dreiging met ontslag, (dreiging met) een rechtsgeding, isoleren, monddood maken, omkopen, overplaatsing, schorsing, verbod op spreken of publiceren. Köbben gaf beleidsonderzoekers dit advies mee: neem een rechtsbijstandsverzekering.