Recensie

Recensie Boeken

Wat Adam Smith werkelijk dacht

Adam Smith Het nu eindelijk in het Nederlands vertaalde The Wealth of Nations uit 1776 staat bekend als de grondsteen van de economische wetenschap. Maar dat Adam Smith in zijn beroemdste boek de amorele ‘homo economicus’ zou hebben geschapen, blijkt een tragische misvatting. Smith besteedt juist veel aandacht aan deugden als eerlijkheid.

Illustratie Getty Images/bewerking NRC

Er zijn weinig filosofen die zich zozeer in de alledaagse realiteit hebben verdiept als Adam Smith in De welvaart van landen uit 1776. Of het nu gaat om de waarde van zilver, kindersterfte in de Schotse Hooglanden, smokkel aan de zuidkust van Engeland, opbrengsten van het boerenbedrijf, machines in het fabriekswezen of de trucs waarmee werkgevers de lonen van hun personeel laag houden – Smith is goed op de hoogte en brengt alles zonder illusies in beeld. Hij doet dat bovendien in prachtige zinnen vol treffende observaties, scherpe argumenten en overtuigende beeldspraken waardoor je als lezer telkens denkt: Precies! Zo zit het leven in elkaar. Eindelijk een filosoof die zich niet verliest in abstracte denkbeelden.

Tegelijkertijd pakt die overtuigingskracht misleidend uit. Los van de manier waarop Smith de realiteit beschrijft, moeten we ons afvragen wat er in zijn boek op intellectueel niveau daadwerkelijk gebeurt. Volgens mij doen zich zeker drie gebeurtenissen voor.

Om te beginnen zien we de auteur een wetenschappelijke ontdekking doen. Hij formuleert als eerste een aantal grondbegrippen waarmee de dynamiek van markteconomieën te verklaren is. Smith introduceert bijvoorbeeld het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, geeft een uitwerking van de arbeidswaardeleer en analyseert de kenmerken van productiefactoren als grond, arbeid en kapitaal. Het kernstuk van zijn analyse is dat markten een evenwicht tussen vraag en aanbod bewerkstelligen zolang deelnemende partijen op een vrije wijze hun voordeel najagen. Zo ontdekt hij dat het economisch leven een zekere wetmatigheid vertoont – analoog aan de manier waarop de door Newton ontdekte natuurwetten werken.

Misleiding

Toch doen we het boek tekort door het alleen te zien als een begin van wetenschappelijke theorievorming – een fout die veel economen maken. De welvaart van landen is namelijk ook een politiek pamflet van meer dan duizend bladzijden waarmee de auteur stelling neemt in actuele vraagstukken. Hij pleit hartstochtelijk voor vrijhandel. Hij hekelt elk streven naar monopolievorming. Hij verwerpt het toen gangbare mercantilistische beleid waarbij een regering de export naar het buitenland met premies stimuleert en de import van buitenlandse goederen met importheffingen belast. Hij wijst in scherpe bewoordingen het Engelse kolonialisme af en veroordeelt alle politieke bemoeienis met het bedrijfsleven. Terwijl hij de betekenis van betrouwbare wetgeving voluit erkent, geselt hij de arrogantie van het ‘arglistige en sluwe schepsel dat we gewoonlijk als politicus aanduiden’. Hier is geen wetenschapper aan het woord maar een partijganger.

Lees ook: Het kapitalisme is niet langer de motor van welvaart en vrijheid

Dat brengt me bij een derde filosofische gebeurtenis. Met zijn overrompelende realisme lijkt Smith steun te geven aan het materialistisch mensbeeld dat zich destijds ontwikkelde. Ik noem slechts de vaak geciteerde zinsnede dat we onze maaltijd niet aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker danken ‘maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben’. Dat hangt nauw met het idee van de onzichtbare hand samen. Mensen streven nu eenmaal het verbeteren van hun eigen situatie na en dragen op die manier aan het welvaren van de hele samenleving bij. Pogingen om het algemeen belang op een meer bewuste wijze te bevorderen zijn niet geschikt. Daarmee lijkt Smith het filosofische idee van de homo economicus te omarmen.

Hogere lonen

Toch zou ook dit misleidend kunnen zijn. Op het eerste oog denkt elke lezer dat het boek over menselijk egoïsme gaat. Het probleem is evenwel dat Smith twintig jaar eerder zijn Theory of Moral Sentiments had gepubliceerd en er nooit een letter van heeft teruggenomen. Sterker: hij bleef dit boek tot kort voor zijn dood verbeteren en zag het als zijn beste werk. Zo stuiten we op een moeilijkheid die in de academische literatuur bekend staat als het Adam Smith-probleem. Hoe moeten we de relatie tussen beide boeken zien? Op deze vraag zijn drie antwoorden mogelijk. Ten eerste: Smith is met zichzelf in tegenspraak omdat hij in het ene boek de mens als een moreel wezen afschildert en in het andere als een wezen dat alleen het eigen voordeel zoekt. Ten tweede: Smith laat zijn theorie over morele gevoelens vallen en bekeert zich in De welvaart van landen tot de homo economicus. Ten derde: het morele gehalte van mensen wordt in het latere boek stilzwijgend voorondersteld in die zin dat liberale politiek nooit zonder morele basis kan. De welvaart van landen bewijst mijns inziens dat dit derde antwoord het meest plausibel is.

Dat blijkt alleen al uit de grote aandacht voor deugden als betrouwbaarheid, eerlijkheid en spaarzaamheid. Zij vormen de ware bron voor economische ontwikkeling terwijl pronkzucht en verspilling het tegendeel betekenen. Maar het blijkt evengoed uit de verwijten die Smith de toenmalige kapitaalbezitters maakt. ‘Onze kooplieden en ondernemers klagen veelvuldig dat hoge lonen kwalijke gevolgen hebben voor de prijs van hun producten […] maar ze hebben het nooit over de kwalijke gevolgen van hoge winsten.’ Smith pleit regelmatig voor hogere lonen als middel om welvaart te bevorderen. Een en ander past bij de grote lijn van zijn betoog dat steeds op het algemeen belang, de langere termijn en de hele samenleving mikt. Hij betoogt keer op keer dat voordelen op korte termijn of belangen van een beperkte groep verkeerd uitpakken en dat verstandig beleid juist het grotere geheel voor ogen heeft. Hij zegt nergens dat moraliteit en marktwerking elkaar uitsluiten. Integendeel – het onderhavige boek impliceert dat gewetensvolle actoren een fundamentele voorwaarde vormen voor adequaat functionerende markten.

Hersenschim

Het is duidelijk dat deze interpretatie van het boek ingaat tegen de manier waarop het vaak gelezen is. We moeten het – zoals de vertaler in zijn ‘Ten geleide’ terecht opmerkt – niet zien als een pleidooi voor menselijk egoïsme maar als de ontvouwing van een sociale leer waarin morele waarden niet tegenover de markt staan maar in economische bedrijvigheid zelf doorwerken.

Hierbij is één kanttekening gepast. Hoewel Smith vanuit een specifiek Engelse situatie redeneert, vergroot hij zijn denkbeelden onbekommerd uit. Bijgevolg verwoordt hij allerlei universele claims, zoals de idee dat alle mensen zich van nature als koopman opstellen, dat arbeidsdeling overal de productiviteit ten goede komt of dat iedereen het verspillen van tijd en geld vermijdt. Met zulke generalisaties is hij echt een filosoof. Er bestaat inmiddels enorm veel biologisch, psychologisch, sociologisch, antropologisch en historisch onderzoek waaruit blijkt dat de homo economicus op een hersenschim berust. Dat nogal wat economen en beleidsmakers die schim als de kern van Smiths oeuvre opvatten, is een tragisch misverstand. Dat ze deze hersenschim vervolgens gebruiken ter legitimatie van immoreel beleid maakt de tragedie alleen maar groter.