Het homogen bestaat niet (maar dna beïnvloedt wel onze seksualiteit)

Genetica In een groot genetisch onderzoek zijn dna-varianten ontdekt die de seksuele voorkeur van mensen subtiel beïnvloeden. Een dna-test voor homoseksualiteit is op basis van deze resultaten niet te maken.

Seksuele voorkeur is een optelsom van omgevingsinvloeden en talloze kleine bijdragen van dna.
Seksuele voorkeur is een optelsom van omgevingsinvloeden en talloze kleine bijdragen van dna. Foto iStock

Hét homogen bestaat niet. Er zijn duizenden genen die samenhangen met de mate waarin mensen zich aangetrokken voelen tot personen van hetzelfde geslacht. Van die duizenden dna-varianten springen er vijf uit: ze komen iets vaker voor bij mensen met homoseksuele ervaringen dan bij mensen die in hun leven louter heteroseks hebben gehad. Maar wat ze precies doen, is onbekend. Mogelijk beïnvloeden ze de stofwisseling van geslachtshormonen en geurwaarneming. Er zit dus wel een genetische component in de seksuele voorkeur van mensen, maar die is subtiel.

Het zijn de uitkomsten van onderzoek onder bijna een half miljoen mensen, voornamelijk Britten. Het is het grootste en meest gedetailleerde onderzoek naar dna en seksuele voorkeur tot nu toe. Een internationale groep genetici, onder wie twee onderzoekers van het Amsterdam UMC, publiceerden hun artikel donderdag in Science. De onderzoekers benadrukken dat de verbanden die zij vonden te zwak zijn om met een dna-test iemands seksuele voorkeuren te kunnen voorspellen.

De vraag in hoeverre homoseksualiteit aangeboren is, is vaak gesteld. Born this way is uitgegroeid tot kernboodschap van de homobeweging, als tegenreactie op mensen die stellen dat homoseksualiteit een keuze is. Omgekeerd heeft het idee dat homoseksualiteit volledig biologisch is bepaald ook een ongemakkelijke kant: het zou genetische discriminatie mogelijk maken.

Optelsom

De werkelijkheid is te complex voor een simpel antwoord: seksuele voorkeuren blijken een optelsom van omgevingsinvloeden en talloze kleine bijdragen van dna. Onderzoeksleider Ben Neale van het Stanley Center for Psychiatric Research onderstreept dat homoseksueel gedrag een normaal onderdeel is van menselijke diversiteit. „Ja, er bestaat een risico dat ons onderzoek misbruikt en verkeerd uitgelegd gaat worden. Maar onze boodschap is belangrijk: het homogen bestaat niet en seksuele voorkeur is niet met een dna-test te voorspellen.”

„Dit onderzoek laat klip-en-klaar zien dat seksueel gedrag deels nature en deels nurture is”, zegt ook Tinca Polderman, biologisch psycholoog aan de VU in Amsterdam. Polderman was niet bij het onderzoek betrokken. „Deze studie kan helpen wilde geruchten weg te nemen over hoe homoseksualiteit zou ontstaan. Wat de onderzoekers laten zien, is dat seksuele voorkeur een eigenschap is als alle andere.”

De eerste genetische onderzoeken naar homoseksualiteit werden uitgevoerd in de jaren negentig. Geneticus Dean Hamer wees naar een gebied op het X-chromosoom . Maar een ‘homogen’ vond hij nooit. Inmiddels is duidelijk dat bij deze onderzoeken te weinig proefpersonen betrokken waren om een statistisch betrouwbaar signaal te detecteren.

Genetici zijn afgestapt van het idee dat er één homogen bestaat. Eigenschappen als seksualiteit en intelligentie zijn ‘genetisch complex’, het resultaat van omgevingsinvloeden en kleine genetische effecten. Om die kleine invloeden te detecteren is dna-onderzoek bij honderdduizenden proefpersonen nodig. Zulke studie naar het samen voorkomen van specifieke genvarianten en een bepaalde eigenschap heet een GWAS: een genome-wide association study.

Lees ook: Alle mensapen zijn een beetje bi

Dát seksuele voorkeur een erfelijke component heeft, blijkt uit onderzoek aan families en tweelingen. „Ongeveer 30 procent van de verschillen in seksueel gedrag tussen mensen worden verklaard door genetische verschillen”, zegt Karin Verweij, mede-auteur en bijzonder hoogleraar aan het Amsterdam UMC.

Verweij en haar collega’s geven aan dat ze zich bewust zijn van de gevoeligheid van het onderwerp. Het team deelde de resultaten in een vroeg stadium met Amerikaanse en Britse lhbti-groepen en stemde formuleringen in het onderzoeksartikel met hen af. Zo komt het woord homoseksualiteit niet voor in het paper, maar spreken de onderzoekers van same-sex sexual behavior, om aan te geven dat het een onderdeel van normale seksualiteit betreft.

Waarom de vraag überhaupt stellen? „Wij vonden dat als iemand deze vraag zou onderzoeken, dat op een grondige, verantwoordelijke manier moest gebeuren. Daarom hebben wij het heft zelf in handen genomen”, zegt geneticus Abdel Abdellaoui, collega van Verweij en mede-auteur.

478.000 Britten

De onderzoekers gebruikten voornamelijk gegevens uit de UK Biobank, een dna-databank die gegevens bevat van bijna 478.000 Britten tussen de veertig en zeventig jaar. Aan deelnemers is de vraag gesteld of ze ooit seks hebben gehad met iemand van hetzelfde geslacht (orale, anale of vaginale gemeenschap). 4,3 procent van de mannen en 2,8 procent van de vrouwen had zo’n homoseksuele ervaring. De genetici vulden die gegevens aan met data van klanten van zelftestbedrijf 23andMe die een dna-test hebben gedaan en vragenlijsten hadden ingevuld over seksuele voorkeuren en gedrag.

De vraagstelling in de UK Biobank is niet ideaal. De proefpersonen identificeren zich niet per se als homo of lesbienne. Eén homoseksuele ervaring telt al, ongeacht hoeveel heteroseksuele ervaringen daartegenover staan. Er is geen manier om te controleren of ze eerlijk hebben geantwoord op intieme vragen over seksualiteit. En de deelnemers zijn allemaal ouder dan 40 en van Europese afkomst.

Door het grote aantal proefpersonen konden de genetici toch verschillen vinden tussen mensen met en zonder homoseksuele ervaring. Maar de dna-variatie die de genetici nu blootgelegd hebben, verklaart minder dan 1 procent. Bij elkaar zouden dna-varianten tussen de 8 en 25 procent van de verschillen in homoseksueel gedrag tussen mensen kunnen verklaren, volgens berekeningen.

De dna-varianten die samenhangen met homoseksuele ervaringen zijn niet dezelfde voor mannen en vrouwen. Van de vijf dna-varianten die statistisch samenhangen met het hebben van homoseksuele ervaring, zijn er twee uniek voor mannen en één voor vrouwen.

Kaalheid en reuk

Een genetische associatiestudie kan niet achterhalen of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het dna en de gemeten eigenschap. De onderzoekers hebben slechts vermoedens wat de vijf dna-varianten in het lichaam zouden kunnen doen. Zo ligt één mannelijke genvariant in de buurt van veel reukgenen, en speelt mogelijk gevoeligheid voor geur of feromonen. De tweede mannelijke dna-variant wordt ook gekoppeld aan mannelijke kaalheid (de typische vorm van kaalheid die begint met inhammen op het hoofd). Het eiwit regelt de aanleg van ballen in muizenembryo’s en is betrokken bij het aansturen van een ontwikkeling richting mannelijke sekse in mensenembryo’s. Voor de vrouwelijke dna-varianten hebben genetici nog geen inhoudelijke analyse uitgevoerd.

De genetici waren benieuwd of dezelfde varianten ook samenhingen met het aantal homoseksuele partners onder proefpersonen. Dat bleek niet het geval.

Omgevingsinvloeden zijn in deze studie volledig buiten beschouwing gebleven, terwijl duidelijk is dat die een grotere invloed hebben dan dna. Homoseksuele ervaringen waren bijvoorbeeld algemener onder jongere deelnemers in de UK Biobank, zagen de onderzoekers. „Omgeving is alles van wat er in de baarmoeder gebeurde tot wie er vanochtend naast je stond te wachten op de metro”, zegt onderzoeksleider Ben Neale. „Maar de omgeving is nu eenmaal lastiger voor ons om te kwantificeren.”