Recensie

Recensie

Het kapitalisme is niet langer de motor van welvaart en vrijheid

Zeker voor een conservatief politicus is Jesse Norman opmerkelijk somber over de vrije markt die de afgelopen decennia in de gehele wereld terrein heeft gewonnen.

'Kapitalisme doodt'. Brazilianen protesteren naar aanleiding van de bosbranden in de Amazone.
'Kapitalisme doodt'. Brazilianen protesteren naar aanleiding van de bosbranden in de Amazone. Foto: AP

‘The greatest work of social science ever written’, noemt het Britse conservatieve parlements- en regeringslid Jesse Norman (1962) The Wealth of Nations in Adam Smith. What He Thought and Why it Matters. Zeker, wegens zijn beroemdste boek wordt Adam Smith (1723-1790) terecht de vader van de economische wetenschap genoemd, vindt ook Norman. Maar toch beschouwt hij The Wealth of Nations eerst en vooral als een onovertroffen sociologisch meesterwerk waarin economische onderwerpen als handel, arbeidsdeling en vrije markten worden behandeld in samenhang met recht, politiek en geschiedenis.

Bovendien was De welvaart van landen onderdeel van een ongekend ambitieus, alomvattend project over mens en maatschappij in al hun facetten, zo legt Norman uit in het eerste deel van Adam Smith. Zeventien jaar voor The Wealth of Nations uit 1776 had Smith al zijn eerste, minder bekende hoofdwerk The Theory of Moral Sentiments gepubliceerd, waarin hij beredeneert dat ook zonder God de mens een moreel wezen is dat vooral geliefd wil zijn.

In de veertien jaar die hem na de verschijning van The Wealth of Nations restten, boog Smith zich ook nog over taal, psychologie, bestuurskunde, kunst en tal van andere onderwerpen. Maar mede wegens een slechte gezondheid kon hij deze studies niet voltooien. En bijna alles wat hij erover schreef, is na zijn dood in zijn opdracht verbrand.

In het tweede deel van Adam Smith schetst Norman meesterlijk hoe economen na Smith voortborduurden op slechts enkele onderdelen uit The Wealth of Nations. Vreemd genoeg leidde dit niet alleen tot een versmalling van Smiths ‘politieke economie’. Enerzijds veranderde Smiths complexe, sociale en veranderlijke mens in de loop van tijd tot de compleet voorspelbare homo economicus, het immer nutsmaximaliserende, atomaire individu zonder moraal. Anderzijds konden neoklassieke economen als Milton Friedman met de ideale ‘economische mens’ als uitgangspunt na 1945 ‘bewijzen’ dat de vrije markt met zijn onzichtbare hand op alle maatschappelijke terreinen beter werk levert dan de staat met zijn ambtelijke molens.

Zeker voor een conservatief politicus is Norman ten slotte opmerkelijk somber over de vrije markt die de afgelopen decennia in de gehele wereld terrein heeft gewonnen. Het kapitalisme is niet langer de motor van welvaart en vrijheid, stelt hij vast, en verliest zo zijn legitimiteit. Maar hoewel het neoliberalisme als ideologie nu dood is, blijft een debat over de vrije markt uit. Het is de hoogste tijd voor een nieuw, alomvattend ‘narratief’ over de markt, in de geest van Adam Smith. Zo niet, dan wordt de vrije markt vernietigd, voorspelt Norman.