Recensie

Recensie Media

Bedreigen algoritmes de krant?

Journalistiek In de journalistiek worden steeds vaker algoritmes gebruikt: om grote hoeveelheden informatie door te spitten, en om leesgedrag te monitoren. Wat verandert er bij de krant?

Italiaanse gastarbeiders lezen de Twentsche Courant
Italiaanse gastarbeiders lezen de Twentsche Courant Foto Spaarnestad

Hoe weet u eigenlijk of dit stuk niet is getikt door een robot? Of dat de kop boven het stuk al dan niet is gegenereerd door een algoritme? Een Zweedse krant experimenteerde al met een homepage die grotendeels wordt gerund door algoritmes. Misschien is dit een bittere pil voor Nederlandse journalisten, die zichzelf graag zien als creatieve geesten en niet als dorre verzamelaars van data. Maar in Automating the News maakt de Amerikaanse datajournalist Nicolas Diakopoulos duidelijk hoe onmisbaar automatisering is geworden in de journalistiek – en welke kansen die biedt.

Bij het persbureau Associated Press worden jaarlijks al duizenden berichten automatisch geproduceerd, zij het vooral korte samenvattingen van bedrijfsresultaten. Dat scheelt mankracht, die beter benut kan worden. Bovendien, robots maken geen rekenfouten. Dat maakt journalisten natuurlijk niet overbodig. Diakopoulos houdt het erop dat vooralsnog ‘slechts’ vijftien procent van het werk van verslaggevers te automatiseren valt. Machines leren om lange, gelaagde artikelen in natuurlijke talen te schrijven, blijft toekomstmuziek.

Integendeel, selectie, spitwerk en analyse blijven journalistieke vaardigheden, die met behulp van techniek alleen veel beter te doen zijn. Software om grote databestanden te doorzoeken zijn bijvoorbeeld al jaren onmisbaar bij verkiezingsuitslagen maar ook in onderzoeksjournalistiek. Van de Panama Papers, een lek van ruim elf miljoen documenten, viel geen chocola te maken zonder data-analyse. Zulke voorbeelden zijn legio. The Atlanta Journal Constitution graasde met eigen computerscripts sites af naar medische missers en vond 2400 artsen die zich daar schuldig aan hadden gemaakt.

Clicks zijn dominant

Voor andere doelen bouwen media zelf software. Diakopoulos noemt programma’s die helpen bij het zoeken en ordenen van uitspraken die geschikt zijn voor een fact check, of een eerste schifting aanbrengen in de lawine commentaren onder stukken online. En uiteraard worden algoritmes gebruikt om het effect van artikelen te meten – zie (ook bij NRC) de diagnose van ‘meest gelezen’ artikelen.

Diakopoulos zet het allemaal helder op een rijtje, al is zijn boek bedoeld voor docenten en managers en door het jargon nogal een opgave. Dat doet niet af aan de onverbiddelijkheid van zijn betoog: journalisten zullen zich moeten bijscholen.

Dat is temeer nodig, omdat automatisering natuurlijk niet alleen kansen biedt, maar ook een bedreiging vormt. Diakopoulos breekt een lans voor push back tegen de marktlogica van clicks en likes die ook bij mediabedrijven dominant is geworden. En hij heeft een open oog voor de massale manier waarop algoritmes wereldwijd worden gebruikt door overheden voor controle, desinformatie en propaganda die ook de journalistiek ondermijnt. Alleen data-wijze journalistiek kan zich daar goed tegen wapenen.

Hoe anders was het kort geleden nog!

Eén van de betere journalistieke innovaties die we tegenkomen in De Krant, een omvangrijke bundel over de geschiedenis van het Nederlandse dagblad, is het aantreden van Wout Woltz, hoofdredacteur van NRC Handelsblad van 1983 tot 1990. Hij was ‘de eerste hoofdredacteur van een landelijke liberale krant die niet als heer was geboren, maar zich wel nadrukkelijk als zodanig presenteerde: met handschoenen, hoed en paraplu’, aldus de auteurs van dit hoofdstuk. Zij zien er een teken in van de emancipatie van de journalist, die vanaf de jaren zestig op stoom kwam. Met zijn ironische stijl was Woltz in elk geval bij uitstek het soort journalist dat programmeurs tot wanhoop zou drijven in pogingen hem door een robot te vervangen.

‘Mannelijk’ gedrag

Deze bundel, die in chronologische hoofdstukken de historie van het Nederlandse dagblad behandelt vanaf 1618, is wél duidelijk een publieksboek, mooi vormgegeven met talrijke illustraties. De hoofdstukken zijn toegankelijk geschreven, zij het droog en nogal schools.

Opmerkelijk zijn de cijfers over het aantal dagbladen in Nederland (in 1850: 9, 1890: 54, 1939: 106) en hun oplages (4,4 miljoen in 2000, daarna bijna gehalveerd tot 2,4 miljoen in 2016). Het Algemeen Handelsblad was in 1851 de grootste krant van Nederland, met 5400 stuks.

De groei halverwege de negentiende eeuw was het gevolg van de afschaffing van de dagbladzegel in 1869, een belasting die inkomsten uit advertenties en abonnementen afroomde naar de staat. De opkomst van de pers die daarop volgde ging gepaard met zorgen – toen al! – over kwaliteitsverlies en popularisering. Zoals het Nieuwsblad voor den Boekhandel in 1862 maande: de journalistiek kon zich alleen verbeteren door ‘een mannelijk gedrag en een voortdurend streven naar vooruitgang’ en door ‘den slentergang te verlaten welke ze thans loopt, door wat meer geestkracht, wat meer moed en wat meer talent te toonen’.

Ondergang?

Het nadeel van de bundel is vooral dat het een bundel is; een overkoepelende visie ontbreekt. Dat neemt niet weg dat plezier te beleven valt aan de hoofdstukken over de afgelopen eeuwen, inclusief politieke strijd en denominatieve hatelijkheden. Naarmate de moderne tijd aanbreekt, de journalistiek professionaliseert en uiteindelijk Rob Wijnberg in zicht komt, wordt de analyse voorspelbaarder. Terecht wordt in het slothoofdstuk vastgesteld dat de gevreesde ondergang van de krant is uitgebleven. Anno 2019 staan grote dagbladen als NRC en de Volkskrant er redelijk goed voor. Maar het totaalplaatje is verontrustend, met die enorm gekrompen gezamenlijke oplage en de kaalslag bij de regionale pers.

Op de laatste pagina’s wordt dan ook de vrees uitgesproken dat de krant zijn ‘integrerende functie’ aan het verliezen is, het ‘gedeelde referentiekader’ dat Nederlanders hadden toe ze nog vrijwel allemaal een krant lazen. Maar je kunt betwijfelen hoe gedeeld dat kader was: ook in de jaren zeventig hadden Volkskrant-lezers weinig gemeen met die van de Telegraaf – een maatschappijbeeld al helemaal niet.

Even dringend lijkt de vraag of de krant zélf nog een geïntegreerd product is, met de ‘ontbundeling’ van content (het brengen van losse artikelen via sociale media), de ontzuiling van lezersgroepen en de flexibilisering van redacties door tijdelijke arbeidscontracten. Kunnen kranten opnieuw een richtinggevend én onderling geprofileerd karakter krijgen?

Daar is helaas niet zomaar een algoritme op los te laten.