Opinie

Zo!

Marcel van Roosmalen

We brachten onze oudste dochter voor het eerst naar de lagere school aan de andere kant van het dorp. Ze leek meteen een stuk ouder met haar blauwe rugzakje om. Op het schoolplein lag een rode loper. Er stonden tientallen ouders en grootouders, die door goedwillenden op voorhand waren omschreven als ‘een vijver van potentiële sociale contacten’.

Een toespraakje van een juf.

Strekking: naar school gaan is een feest.

In optocht naar binnen.

Dat had ik niet verwacht – en ik denk André Hazes ook niet – dat ik nog ooit op zijn muziek een school zou binnenwandelen. Daarna kwam gelukkig ‘Pasapas’ van Kinderen voor Kinderen, ze danste voor ons uit het lokaal in.

Ze legde haar nieuwe drinkbeker en de broodtrommel tussen de andere bekers en broodtrommels op de daarvoor bedoelde plank. Voor het eerst, maar toch geroutineerd.

Ze ging op het stoeltje zitten waarop ze haar gezichtje en naam hadden gestickerd en begon maar meteen aan de kleurplaat op haar tafeltje.

Braaf kind.

Ik keek naar de andere kinderen. En hun ouders. Met wie we misschien wel, of niet, te maken zouden krijgen.

Er waren twee moeders die straks de haren van de meisjes gingen opsteken, eentje had een minikonijntje aan haar riem hangen.

Er ging een bel.

Voor de ouders stonden op het schoolplein koffie, een bord met pindarotsjes, een meester in een korte broek en een nieuwe directrice klaar. Tegen dit moment had ik het meeste opgezien. Waar moest ik het in godsnaam met die andere ouders over hebben?

Het probleem loste zichzelf op. De vriendin sprak de directrice aan en ik werd herkend door een vader.

„Zo!”, zei hij tegen mij, terwijl hij voor me ging staan.

Als ze al iets tegen me zeggen in het dorp is het vaak ‘Zo!’

Omdat ik ooit in het programma Veronica Inside op commando, met zichtbare tegenzin ‘Zo!’ zei na een slok Bavaria.

Hij had zijn zoontje ’s morgens eigenhandig een Feyenoord-rugzakje omgedaan. „Zodat ze weten dat hij weerbaar is.”

Ik begreep het niet, Feyenoord staat veertiende. „De meeste jongetjes zijn hier voor Ajax, watjes. En jouw zoon? Vitesse, zeker?”

Ik zei dat ik twee dochters had. Daarna was het zo lang ongemakkelijk stil dat ik overwoog om dan toch nog maar een keer ‘Zo!’ te zeggen. Hij roerde door zijn koffie en zei dat hij het schoolgebouw ‘op zich wel’ een mooi gebouw vond. „En verder merken we het wel.”

Een paar uur later haalden we haar weer op, aan alles was te merken dat ze ‘op zich wel’ een leuke dag had gehad.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.