Opinie

Verschaf eindelijk duidelijkheid over de euthanasiewet

De euthanasiewet bevat tegenstrijdigheden, schrijft . Ministers hebben die niet weg kunnen nemen; de rechter moet zich nu uitspreken.
Foto iStock

Maandag begon bij de rechtbank Den Haag een unieke strafzaak tegen een inmiddels gepensioneerde arts, die in 2016 euthanasie had uitgevoerd bij een demente vrouw. Het OM wil meer duidelijkheid over euthanasie bij wilsonbekwamen. Het lijkt mij nuttig naar de tekst van de wet te kijken. Bij mijn weten is dit nog niet publiekelijk gebeurd.

De Euthanasiewet van 2002 (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) bepaalt (in artikel 2 lid 1) welke zorgvuldigheidseisen de arts in acht moet nemen bij het verlenen van euthanasie. De wet richt zich tot de arts, niet tot de patiënt. De wet beoogt de grenzen voor de artsen af te bakenen, niet de rechten van patiënten uit te breiden. Die afbakening moet voorkomen dat de hoofdregel gaat gelden dat euthanasie moord is.

De wet stelt (in lid 2 van artikel 2) dat de arts ook euthanasie kan – niet moet – verlenen aan de patiënt die op dat moment niet in staat is zijn wil te uiten, maar in zijn goede periode (dus vóór zijn dementie) daartoe schriftelijk het verzoek heeft gedaan. Ook dan zijn de zorgvuldigheidseisen, zo staat er, „van overeenkomstige toepassing”.

Hier gaat het meteen al fout. De zorgvuldigheidseisen, die uitgaan van een aanspreekbare patiënt, worden klakkeloos toegepast op een wilsonbekwame patiënt. Zij houden immers in dat de arts naar het moment van de euthanasie (wanneer anders?) moet vaststellen dat de demente patiënt uitzichtloos en ondraaglijk lijdt; hij moet de patiënt voorlichten over de situatie waarin deze zich op dat moment bevindt en over diens vooruitzichten. Tenslotte moeten arts en patiënt gezamenlijk tot de overtuiging komen dat er geen redelijke andere oplossing is.

En daar zit een probleem. Immers: je kunt een wilsverklaring (tot euthanasie) wel naar voren halen, maar niet een (gezamenlijk) oordeel dat naar zijn aard pas gevormd kan worden op het moment van de actie. Er zijn over dit onderwerp vreemde standpunten ingenomen; zo is voorgesteld om in de wilsverklaring een gemachtigde aan te stellen. Maar dan wordt het probleem slechts verschoven. De volmachtgever blijft bevoegd: hij kan zichzelf niet onder curatele stellen. Ook is voorgesteld om bij het verzoek de arts te instrueren het eigen tegensputteren van de patiënt te negeren. Maar dit zou een uitbreiding betekenen van de zelfbeschikking of autonomie van de patiënt en daar gaat deze wet niet over.

Ministers leggen wet uit

De ministers Schippers en Van der Steur hebben in december 2015 jegens de artsen een ‘Handreiking schriftelijk euthanasieverzoek’ gedaan (zeven pagina’s), waarin zij in wollige taal een interpretatie geven van de euthanasiewet en specifiek van artikel 2 lid 2. Zij zeggen tegen de arts: „Is er wel een schriftelijk euthanasieverzoek, dan kunt u de euthanasie uitvoeren. Dit mag alleen als aan alle eisen van de wet is voldaan (zie woordenlijst: zorgvuldigheidseisen)”.

Verder schrijven zij: „Op het moment van de euthanasie moet u als arts ervan overtuigd zijn dat de patiënt ondraaglijk en uitzichtloos lijdt. Een goede omschrijving in het schriftelijke euthanasieverzoek van wat voor déze patiënt ondraaglijk is, helpt u daarbij.” Dus het oordeel van de patiënt over zijn toekomstig (!) ondraaglijk lijden is niet doorslaggevend als niet ook de arts die overtuiging heeft, al kan het oordeel van de laatste een andere grond hebben. Een arts kan bijvoorbeeld ondraaglijk en uitzichtloos lijden hebben vastgesteld, maar niet op de grond dat de patiënt wegens dementie in een verpleeghuis moest worden opgenomen, wat voor een patiënt zelf een criterium kan zijn dat hij in zijn wilsverklaring heeft opgeschreven.

De conclusie moet dus zijn dat de eigen definitie van de patiënt over uitzichtloos en ondraaglijk lijden door de arts terzijde mag worden geschoven, indien hij het inzicht van de patiënt niet deelt. De arts moet overtuigd zijn, zegt de wet. De ministers bestempelen de eigen bepaling van de patiënt van wat ondraaglijk is als ‘hulp’, maar dat zou betekenen dat de arts toch niet zo’n diepe eigen overtuiging hoeft te hebben en het oordeel van de patiënt kan laten prevaleren. Dat klopt niet.

Lees ook: Hoe duidelijk moet een wilsverklaring zijn om euthanasie door te laten gaan?

De patiënt die in zijn verzoekschrift bepaalt: ‘Ik verklaar reeds nu dat ik geacht moet worden uitzichtloos en ondraaglijk te lijden als ik incontinent ben en/of mijn kinderen niet meer herken’, schrijft dus meer op dan nodig is. Het is bovendien riskant, want als de arts niet ook die overtuiging heeft, al is het op andere grond, dan mag hij die definitie negeren. Deze situatie kan zich vaak voordoen omdat patiënten de gevallen die nog draaglijk zijn tijdens het ziekteverloop plegen uit te breiden. Heeft de olifant van de ‘Handreiking’ nu een muis gebaard? Ik denk het wel.

Niet alle zorvuldigheidseisen van toepassing

De Euthanasiewet uit 2002 is onduidelijk. De ‘Handreiking’ uit 2015 heeft geprobeerd uit te leggen hoe wij de wet moeten lezen. Dit is bedenkelijk. Het is niet aan de ministers om de wet te interpreteren; dat hadden zij hooguit – ook niet fraai – in de Memorie van Toelichting kunnen doen. En waarom heeft het ministerie van Justitie aan de ‘Handreiking’ meegewerkt? Is het een waarschuwing aan de rechters, of een richtlijn voor hen?

Het is nu aan de rechter om duidelijkheid te verschaffen. Die moet in ieder geval deze ‘Handreiking’ terzijde leggen, omdat zij niet stoelt op de wet en ook niet op de wetsgeschiedenis. Hierdoor komt de rechter – gelukkig – niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Ten aanzien van de Euthanasiewet zelf wijs ik op het juridisch gebruik om de wettekst die innerlijk tegenstrijdige bepalingen bevat zodanig uit te leggen, dat de beoogde regeling toch nog zoveel mogelijk effect heeft. Mijn conclusie is daarom dat artikel 2 lid 2 van de wet restrictief moet worden toegepast. Dat houdt in dat de eisen (in lid 1) dat de patiënt voorgelicht moet worden en dat gezamenlijk de overtuiging bereikt moet worden dat geen redelijk alternatief meer mogelijk is, bij wilsonbekwame patiënten niet langer van toepassing moeten zijn.

En dus ook geen eigen formuleringen meer van de patiënt over wanneer hij denkt later uitzichtloos en ondraaglijk te lijden. Ook geen instructies aan de arts. De patiënt kan volstaan met de tekst: ik wil euthanasie wanneer ik incontinent ben en/of mijn eigen kinderen niet meer herken. Dan zal de arts wel uitmaken, zoals de wet voorschrijft, of de patiënt (ook) uitzichtloos en ondraaglijk lijdt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.