Raphael Saadiq

Foto Aaron Rapoport

Raphael Saadiq: ‘Ik wil de dopeste dude van 53 zijn die zingt’

Interview Hij produceerde voor D’Angelo, Snoop Dogg en Solange. Raphael Saadiq is al decennia een cruciale speler in de popmuziek. Niet eerder stonden zijn persoonlijke tragedies zo centraal als op zijn nieuwe solo-album ‘Jimmy Lee’.

Raphael Saadiq zit aan tafel in een donker hoekje in Billy’s Bar in een hotel in Londen. Hij heeft een zonnebril op, een brede zwarte hoed schuin op zijn hoofd en een blauwe bandana om zijn nek. In de chique hotelbar klinkt zachtjes de door hem meegeschreven en geproduceerde soulklassieker ‘Untitled (How Does It Feel)’ van D’Angelo.

De 53-jarige in Oakland, Californië opgegroeide artiest, producer, sessiemuzikant en songwriter somt de gezinsleden op die hij in zijn leven kwijtraakte. „Ik verloor mijn eerste broer toen ik zeven jaar oud was”, vertelt hij. „Ik zag mijn volgende broer gaan toen ik zestien was. En een volgende toen ik dertig was. En mijn zus op mijn 35ste.”

Saadiq vertelt over zijn eerste solo-album in acht jaar, Jimmy Lee – vernoemd naar zijn broer die heroïneverslaafd was en met hiv besmet raakte. Een andere broer van Saadiq was verslaafd en pleegde zelfmoord, zijn derde broer werd vermoord en zijn zus reed met haar auto in een politieachtervolging en verongelukte.

Jimmy Lee is een plaat over wanhoop, verslaving, uitzichtloosheid en onmacht. Saadiq is al decennialang een cruciale speler in de popmuziek. Van de hits als ‘Tony! Toni! Toné!’ die hij vanaf eind jaren tachtig met broer D’Wayne Wiggins en neef Timothy Riley scoorde, tot het briljante ‘Lucy Pearl’ en zijn solocarrière. En als schrijver en producer voor artiesten als Total, Mary J. Blige, Snoop Dogg en Erykah Badu – tot aan Solange’ album A Seat At The Table, waarvan hij in 2016 uitvoerend producent was. Maar niet eerder stonden zijn persoonlijke tragedies in zijn werk zo sterk centraal.

In een harde, rauwe omgeving was het muziekinstrument de bloem

Hij wilde lang vooral „mooie muziek maken”, zegt Saadiq. Zoals The Isley Brothers, Jimi Hendrix, The Doors, Earth, Wind & Fire en de andere groepen waar hij met zijn familie naar luisterde. Hij wist als jongen zeker dat velen van hen een vergelijkbare achtergrond hadden, maar dat hun liefde voor muziek voorop stond. In een harde, rauwe omgeving „was het muziekinstrument de bloem”, vertelt Saadiq. „Ik focuste me daarop. Een kamer in gaan en voluit muziek maken en me geweldig voelen.”

Je moest hem overhalen om te vechten, vertelt Saadiq. Maar zijn broers gingen er altijd vol in. Hij zag D’Wayne mensen tot bloedens toe slaan en daarna naar huis lopen om een mes of pistool te halen – hij moest hem meermaals tegenhouden. Zijn broer Alvie reed in een Ford Thunderbird naar een man die hem lastigviel. „Hij rolde de ramen naar beneden, schoot, en legde het pistool weer terug onder mijn vaders bed. Mijn vader rook dat het pistool gebruikt was en ging met hem naar het politiebureau. De man diende geen aanklacht in. Mijn broer werd een jaar later vermoord. Dat zijn de dingen die ik zag.”

Muziek was zijn uitweg. Saadiq speelt basgitaar sinds zijn zesde, zingt gospel sinds zijn negende. „Ik zing op mijn plaat over de dode lichamen die gevonden werden waar ik opgroeide, maar ook over de liefde voor muziek die ik daar zelf vond. Ik praat over atleten die er hun talent vonden en over vrienden die er vanwege drugs vermoord werden. Zelf vond ik er de hoop dat ik muzikant kon worden. Ik had de beste muziekleraren die me meenamen naar het Witte Huis, Jamaica, en het North Sea Jazz Festival, waar ik speelde als trombonist van mijn middelbare-schoolband.”

Muziek joeg hem de planeet over. Als 19-jarige muzikant toerde hij met Prince en Sheila E, hij werd zelf een ster, en zat in de studio bij legendarische sessies. Vol smaak vertelt hij over een opname midden jaren negentig bij raplabel Death Row. „Tupac was er, Nate Dogg. Snoop Dogg zat er met allemaal pitbulls. Ik schreef achter mijn keyboard een nummer, en iemand liet een enorm pistool op de vloer vallen. Een van Snoops tantes die daar aanwezig was, keek me aan en vroeg Snoop: ‘Is dat Raphael Saadiq?’ Ze zei: ‘Schatje, wat doe jij hier tussen al deze gasten?’ Ze vond dat ik daar niet tussen hoorde. Ze zei dat ik meteen moest weggaan.”

Kleine man

Op Jimmy Lee zingt Saadiq intens en vol beeldende details over door hevige verslaving verkruimelende levens. Geïnspireerd op de ervaringen met zijn broers, maar ook anderen in zijn omgeving, zoals zijn beste vriend, de voormalige basketbalspeler Brian Grant, en zijn moeder – bij wie ze in de nasleep van een hevige knieoperatie „na een tijdje de pillen weg moesten houden”.

Als hij een film zou maken over verslaving, zegt Saadiq, „dan zou ik beginnen bij de kleine man en dan het totale plan laten zien. In ‘Kings Fall’ zing ik over mijn broer die naar me toe komt voor geld, terwijl buiten in de auto iemand wacht die hem de drugs zal geven. Er is altijd zo’n persoon bij verslaafden. Maar de regering moedigt verslaving ook aan met alle pillen die rondgaan. Al die drugs hoeven hier niet te zijn. Ze zijn er omdat er geld mee verdiend wordt – omdat het goede business is.”

Ook op Jimmy Lee trekt Saadiq het verhaal over de verslaving van zijn broer breder. Een hoogtepunt is het vlammende tweeluik ‘Rikers Island’. In het eerste deel wordt in rijke, gestapelde zang aangeklaagd hoe de gevangenis wordt volgepropt met Afro-Amerikanen, en hoe dat families en gemeenschap uiteenscheurt. Het tweede stuk schetst in krachtige spoken word een land dat economisch en via politie en justitie ongelijkheid in stand houdt.

„Zo’n nummer begint met een refrein dat ineens in me opkomt”, zegt Saadiq. „Ik zong het honderd keer – het koor dat je hoort, dat ben ik. Ik schreef het omdat ik, wanneer ik Jimmy in de gevangenis opzocht, veel zwarte mensen zag, maar ook witte, en latino’s. Wat me als kind opviel, was dat aan de ene kant op de parkeerplaats de BMW’s en Mercedessen stonden, en aan de andere kant de afgetrapte auto’s. Mensen verdienden flink aan het lot van pechvogels die daar zaten voor kleine vergrijpen zoals drugs – waar ze weinig aan konden doen. Als het eten van snoep strafbaar was, zou ik ook levenslang krijgen.”

Jimmy Lee eindigt met het nummer ‘Rearview’ waarin gast Kendrick Lamar zich afvraagt hoe hij de wereld kan verbeteren, terwijl hij zelf hulp nodig heeft en niet kan veranderen. Het is een kil en kort nummer, waarin de producer het pessimisme vangt dat hij de afgelopen jaren voelde. Saadiq heeft een donkere periode achter de rug, vertelt hij. Voelde zich verraden door vrienden, accountants, managers.

Het idee voor ‘Rearview’ ontstond toen hij naar Ol’ Dirty Bastards ‘Brooklyn Zoo’ luisterde – „Ik fitness altijd op Wu-Tang” – en het idee voor de muziek kreeg. De teksten van Kendrick „had ik nog liggen van twee jaar eerder. Hij kwam langs om muziek te luisteren, ik speelde wat en hij sprong achter de microfoon. Kendrick vertelt zijn verhaal altijd heel soulvol, zoals ik dat ook doe. Het paste gewoon.”

Stelen van Stevie

Saadiq probeert op Jimmy Lee verschillende zangstijlen uit. „Met een diepe stem als David Bowie – ik ben een Bowie-fan. Ik zing een eigen variant van Sly Stone. Het klinkt als mezelf maar ik put uit al die gasten – Prince; Stevie op ‘So Ready’. Stevie hoorde het in de studio – hij speelde harmonica op het nummer, maar dat hebben we niet gebruikt want het was verkeerd opgenomen. Ik zag dat hij wist dat ik een beetje van hem aan het stelen was.”

Ruim dertig jaar na zijn eerste succes, voelt hij zich „zeer sterk”, zegt Saadiq. Hij praat vol geestdrift over wat hij leert van andere artiesten – van de manier waarop The Beatles in hun opnameproces „een maand later nieuwe instrumenten toevoegden om wat kleur naar voren te brengen”, tot de minimalistische benadering die hij bij Solange zag in de studio. Saadiq is onverminderd hongerig, zegt hij. „Ik zei laatst tegen mijn broer D’Wayne: ik wil de dopeste dude van 53 zijn die zingt. Ik wil fris klinkende tracks eruit pompen en de microfoon aanvallen. Het is als sport voor mij.”

Hij wil nog steeds die kamer in, zegt hij, en knallen. Hij geeft zijn relatie met D’Angelo als voorbeeld. „We kunnen in de kamer zitten en nummers maken die je nooit zal horen – maar wij horen ze wel en spelen ze jarenlang voor onszelf – zo van: ‘Ooooooh!’ We denken niet aan het publiek. Voor ons is het als een geweldige sigaar hebben, die je voor jezelf bewaart. Dat is de beste vriendschap die je kunt hebben in muziek. Het voelt als gaan vissen, en zeker weten dat je iets gaat vangen.”