Bediend door een fooienlurker

Ewoud Sanders

Woordhoek

Wat zegt u als u in een café of restaurant de aandacht wil trekken van het bedienend personeel? Roept u ober of kelner? De kans dat u kelner roept is klein want dat woord is in onbruik aan het raken.

Ober wordt wel vaak gebruikt, maar waarschijnlijker is dat u oogcontact zoekt of met een opgestoken arm subtiel hengelt om aandacht.

De manier waarop wij bedienend personeel aanroepen is aan mode onderhevig. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd het gebruikelijk om bedienend personeel aan te spreken met kelner of garçon. Garçon was chiquer, kelner volkser.

Nog volkser was het om alle mannen in de bediening aan te roepen met Jan!, ook als ze niet zo heetten. Voor vrouwen bestond bij mijn weten geen algemene horecaroepnaam.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam aannemen! in de mode. Wie dit in een kroeg of restaurant riep, bedoelde: graag mijn order aannemen! Een voorbeeld uit een tekst van L.H.A. Drabbe uit 1901: „Bier mot ’k hebben, bier, bier, ’k heb dorst. Aannemen, hoor je me god-ver-domme niet vent?” Dit speelt in café Schiller in Amsterdam.

Ober maakte opgang in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Het betekent eigenlijk ‘eerste kelner’ en is een verkorting van het Duitse Oberkellner, letterlijk ‘opperkelner’.

Er was dus nogal wat verloop in aanspreekvormen in de Nederlandse horeca. Dit werd onder meer gesignaleerd door de schrijver Marcellus Emants (1848-1923). In 1904 schreef hij in het tijdschrift Neerlandia: „Wij, Nederlanders, schijnen niet in staat te zijn een geschikt woord om een koffiehuis- of hotel-bediende mede te roepen te... behouden. Lang geleden hadden wij Jan; iets later gebruikten wij aannemen; daarna bezigden wij het Duitse woord kellner.’’

Over het Duitse leenwoord ober, dat toen steeds algemener werd, schrijft Emants: „Moeten wij dit misbaksel kalm laten binnensluipen?” Hij vond het „een verminking” in het Duits „en bij ons een onzinnigheid”. Zelf gaf hij, bij gebrek aan beter, de voorkeur aan aannemen, maar hij riep zijn lezers op om alternatieven aan te dragen.

Emants’ oproep bleef niet onopgemerkt. Zijn stuk werd integraal overgenomen of samengevat in het Algemeen Dagblad, de Arnhemsche Courant, de Bredasche Courant, De Sumatra Post, De Telegraaf, De Tijd en zeker nog vier andere dagbladen.

Er werd onder meer voorgesteld om ober te vervangen door aannemer, naar aanleiding van de aanroep aannemen. „Maar”, schreef De Tijd, „hier zouden we al van den wal in de sloot geraken, wijl, en niet zonder grond, het eerzame gilde der bouw-aannemers tegen die vereenzelviging van het koffiehuisbediendenbedrijf met het hunne bedenking zouden hebben.”

Het satirische tijdschrift De Ware Jacob kwam met een lijst van ruim dertig „dichterlijke” alternatieven. Nee, lieve lezers, soms is het goed om exacter zijn: dit tijdschrift kwam met 33 alternatieven. Ze waren niet serieus bedoeld maar geven een interessant beeld van de Nederlandse horeca aan het begin van de twintigste eeuw. Een greep (preciezer: tien van de 33, dus 30,3 procent): beleefdheids-huichelaar, bierpot-goochelaar, bitterdraver, blaadjes-ridder, broekbederver, fooien-lurker, knipmes-buigling, sauzen-storter, servet-zwaaier en voetveeg van ’t geëerd publiek.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders