Entree van Museum de Pont in Tilburg

Piet den Blanken / Hollandse Hoogte

Martijn van Nieuwenhuyzen: ‘Musea moeten zich tot nieuw publiek verhouden’

Interview Na bijna dertig jaar in verschillende functies bij het Stedelijk Museum, wordt Martijn van Nieuwenhuyzen nu directeur van Museum De Pont.

Martijn van Nieuwenhuyzen Foto Robin de Puy

Deze week start Martijn van Nieuwenhuyzen als directeur bij Museum De Pont in Tilburg. Hij volgt Hendrik Driessen op, die het museum vanaf de oprichting heeft geleid. Van Nieuwenhuyzen werkte sinds 1991 in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij staat nu voor de op het oog ondankbare taak om de positie over te nemen van iemand die een kwalitatief goed en eigenzinnig museum op de kaart heeft weten te zetten. De vraag dringt zich namelijk op wat je daar nog aan toe te voegen hebt.

Volgens Van Nieuwenhuyzen kan hij voortbouwen op wat er al opgebouwd is, maar wil hij ook nieuwe kunstenaars en kunstvormen bij De Pont introduceren. Tussen 1999 en 2006 was hij directeur van het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. „Toen werkte ik bijna uitsluitend met jonge kunstenaars, ik sparde met ze en hielp ze hun eerste tentoonstellingen opzetten. Ook binnen de grotere kaders van het Stedelijk heb ik veel nieuwe namen geïntroduceerd en samen met kunstenaars tentoonstellingsconcepten ontwikkeld. Het Stedelijk is een fantastische plek, maar bureaucratischer. Ik heb er alles uitgehaald en ik kijk er nu naar uit om met een klein en toegewijd team te gaan werken. Korte lijnen passen bij mij.”

De Pont krijgt geen subsidie. Legt dat druk op de exposities om toch genoeg publiek te trekken en dus genoeg inkomsten te hebben?

„Nee. De Pont is een stichting die beschikt over een eigen vermogen waarvan het rendement de basis vormt van het exploitatie- en aankoopbudget. De Pont wordt, ook door het bestuur, geleid vanuit de gedachte dat het museum artist driven is. Dat, gekoppeld aan de bijzondere ruimte van de voormalige wolspinnerij waarin de tentoonstellingen gemaakt worden, zorgt ervoor dat de mensen speciaal naar deze plek komen. Het gaat ze om die specifieke ervaring. Door de nieuwe aanbouw voor video en fotografie, de tuin en een mooi groot restaurant is het een steeds aantrekkelijker geheel geworden.”

Maar als je dat een keer hebt ervaren, hoef je niet meer terug te komen.

„Sommige mensen vinden het kennelijk zo’n fijne ervaring dat ze terug willen komen.”

Mikt kunst nu meer op de ervaring?

„Sommige kunst doet dat zeker, en dit is iets waar musea steeds meer naar kijken als ze een tentoonstelling maken. Ik heb in het Stedelijk een tentoonstelling gemaakt met Raquel van Haver. Dat was een kleine tentoonstelling, maar die appelleerde aan ideeën en behoeften van een ander, breder publiek.

„De samenleving is enorm aan het verkleuren. Hoe behoud je je legitimiteit in zo’n situatie? Dat is iets waar heel veel musea naar kijken, en dat zal ik ook doen bij De Pont. Je bent in competitie met andere ervaringsinstellingen, dus veel musea kijken serieus naar wat een tentoonstelling de toeschouwer heeft te bieden, wat anderen liefst niet bieden.”

Is het een ideaal om iedereen binnen te halen?

„Het bildungsideaal zit diep in onze vezels. Dat was al zo in de tijd van Sandberg en eigenlijk bij iedereen die in musea voor moderne kunst werkt. Je wilt zo veel mogelijk mensen in aanraking met kunst brengen. De laatste jaren is er steeds meer sensitiviteit voor publiek met een andere culturele achtergrond, en voor een ander kunstbegrip dan het westerse waar wij mee zijn opgegroeid. Dat speelt nu sterk mee in hoe musea zich ontwikkelen. Ik heb in dat opzicht veel geleerd van mijn reizen in Latijns-Amerika, de afgelopen zes, zeven jaar. Het gaat erom dat je erkent dat er andere beeldculturen zijn, met andere esthetische sensitiviteiten. Na verloop van tijd begin je de canon waarmee je bent opgegroeid een beetje los te laten.”

Komt die blik in gevaar omdat er in ons land meer nadruk ligt op het behoud van nationaal erfgoed?

„Als je alleen maar op je nationalistische lijn gaat zitten, dan is dat op een gegeven moment een soort doodlopende weg. Dat klopt niet meer met hoe de wereld om je heen in elkaar zit. Ik denk dat het onvermijdelijk is dat musea zich tot de wereld, tot een breder kunstbegrip en tot nieuw publiek gaan verhouden. Deze tijd is heel interessant, er zijn zoveel meer mogelijkheden, maar het is inderdaad moeilijker voor de musea om dat budgettair bij te benen.”

Worden privémusea invloedrijker?

„Je kan niet ontkennen dat er meer zijn gekomen en een nieuw soort evenwicht ontstaat tussen publieke en private musea, maar er is natuurlijk altijd een zekere onderlinge dynamiek geweest. Het Kröller-Müller is uit een privéverzameling ontstaan, het Stedelijk in feite ook. Grappig is dat het spanningsveld tussen particulier en publiek volgens mij zich nu zo ontwikkelt dat ze zich kunnen scherpen aan elkaar.

Lees ook Voedsel is de rode draad in dit radicaal eigenwijze privémuseum

„Particuliere musea zijn soms inventief in de manier waarop ze met het publiek omgaan. Het LAM in Lisse heeft bijvoorbeeld een soort tijdslot van drie kwartier. Via een algoritme krijg je vijf werken en over die werken krijg je een verdiepende rondleiding. Daarna kan je kijken of je op eigen houtje nog verder wilt.

„Dit soort experimenten daagt ook de publieke musea uit om op een creatieve manier ondernemend te zijn, en op zoek te gaan naar nieuwe manieren om met het publiek om te gaan. Ik denk dat we elkaar kunnen stimuleren, zeker als het gaat om experimenten met publiek, in het bieden van nieuwe kunstervaringen.”