Narigheid komt toch wel, de rest vier je

Bij het graf Voor wie bent u hier? spreekt mensen op een begraafplaats. Een korte serie. Deel 2: Roland Vos.

Illustratie NRC

Door de poort voor de joodse begraafplaats in Muiderberg komen stemmig geklede mensen. Ze gaan de parkeerplaats op, de dienst is net geweest. Een van hen is Roland Vos (54). Het is zijn vader die net begraven is, nog geen 24 uur nadat hij overleed.

Ja, nu is hij wees, zegt hij een week later in een kantoorruimte van zijn koosjere cateringruimte in Amstelveen. Maar wat dat betekent – hij weet het nog niet. Zijn moeder overleed twee jaar geleden, ze had verwaarloosde borstkanker en alzheimer. Zijn vader is er nooit meer overheen gekomen. Hij had haar verzorgd, het was meer dan hij aankon. Tegenover de buitenwereld deed hij alsof alles goed was. Maar ze vergat alles, was bozig, snapte niets meer.

Na haar dood kon het twee kanten op met zijn vader, zegt Vos: hij komt er weer bovenop of hij gaat bij de pakken neerzitten. Dat laatste heeft hij gedaan. Zijn vader werd somber, hij wilde graag dood.

Zelf had hij het een paar maanden heel moeilijk. Ook door zijn werk: stond hij op feestjes met de catering en intussen was zijn moeder overleden. Elke dag had hij haar even gebeld om te vertellen wat hij gedaan had. „Toen belde ik mijn vader maar, maar die was neerslachtig.” Nu die er ook niet meer is, belt hij zijn oom.

Ze ontmoetten elkaar op een dansavond van een joodse jongerenorganisatie, zijn ouders. Ze verloofden zich, het ging uit, de verlovingscadeaus terug naar de afzenders. Een jaar later kwamen ze elkaar weer tegen bij Maxim rond het Leidseplein, een café met een joodse eigenaar. Het kwam goed en ze kregen twee kinderen, Roland het jongst.

Middenin het leven, zegt Vos over zijn ouders. Kleren maken voor de schoolmusical, besturen, actief bij zowel joodse als niet-joodse organisaties. Zijn vader was directeur rechtsbijstand bij Delta Lloyd en werkte daarna voor een Oostenrijkse schademaatschappij. Dat werd moeilijk gevonden in de familie, na de oorlog, werken bij een Oostenrijkse firma. Vooral toen zijn vader er tijdens een joodse feestdag naartoe moest. „Maar het waren verschrikkelijk lieve mensen”, zegt Vos. „Dus: nooit generaliseren.”

Vos is bijna de enige van zijn neven en nichten met vier grootouders. De meeste ooms en tantes zijn getrouwd met mensen die wees werden in de oorlog. De oorlog: zijn moeder zat in de trein vanuit kamp Bergen-Belsen die werd bevrijd door de Russen. Het bracht hem ertoe op school dwars te roepen dat Russen niet slecht zijn. Zijn vader was ondergedoken bij een boerenfamilie in Aalten. Met de zoon en kleinzoon heeft Vos nog contact, ze waren ook op de begrafenis.

De oorlog. Hij vindt het een moeilijker onderwerp dan de dood van zijn ouders. Niets, niets kreeg hij ervan mee; geen oorlogsboek gelezen, geen film gezien. Als er iets over Anne Frank op het journaal was, ging de tv uit. Op school zat hij in de feestcommissie. „Maar dat zwijgen, het er niet over kunnen of willen hebben, dat is zwaarder dan het weten.”

Het verleden uit zich toch. Leven is belangrijk, familie ook. Dat vonden zijn ouders en dat vindt hij. De joodse feestdagen, Sinterklaas, een nieuwe tuin – alles wordt gevierd, met zo’n veertig man familie. Verre neven en nichten zijn in afgesneden joodse families net zo neef of nicht als volle, legt hij uit.

Elk jaar levert hij chocoladeletters voor inkoopprijs aan het joods hospice, waar zijn moeder stierf. Hij regelt het eten en drinken voor de intocht van Sinterklaas in Amsterdam, hij zit in het Oranjecomité van Amstelveen. Het goede doen voor anderen, dat heeft hij van zijn ouders geleerd.

Het leven gaat door, ook dat leerden ze hem. De narigheid komt toch wel, de rest moet je vieren. Ja, zegt hij, dat is hoe het leven in elkaar zit.

Lees ook: deel 1 over Ab en Wil Niesing die hun zoon verloren