Onvrede over chaos na ondergang DDR broeit nog

Saksen Na de val van de Muur moest een goed draaiende porseleinfabriek in Saksen sluiten. Was dat echt nodig? „Ik vond het prachtig, we kregen vrijheid! Ik was zo naïef.”

Regina Bernstein in het museum van de voormalige porseleinfabriek.
Regina Bernstein in het museum van de voormalige porseleinfabriek. Foto Tobias Ritz

Het blijkt niet meteen, maar de bitterheid is hier nog springlevend. Ook na dertig jaar. „We waren eerst euforisch”, vertelt Regina Bernstein over de omwenteling in 1989, toen de bevolking van de DDR in opstand kwam tegen het communistische regime. De Berlijnse Muur viel. Een jaar later werden Oost- en West-Duitsland herenigd. De Oost-Duitsers kregen vrijheid en de D-Mark. „Maar de ontnuchtering volgde snel”, zegt Bernstein.

Van het grote fabriekscomplex waar ze destijds werkte als ingenieur, aan de rand van het dorp Grossdubrau in Saksen, staat alleen nog een oud, bakstenen gebouw overeind, dicht begroeid met wilde wingerd. Er omheen staan, als reusachtige schaakstukken, porseleinen isolatoren die hier werden gemaakt voor hoogspanningsmasten. Witte, donkerbruine, sommige anderhalve meter hoog. Ooit gewild op de binnen- en buitenlandse markt, nu symbolen van een verloren tijd.

Eén doet dienst als bloempot. Ernaast, op een laag blok graniet, staat een sombere kop van Karl Marx. In het oude fabrieksgebouw hebben oud-werknemers een klein museum ingericht, als monument voor het in 1857 opgerichte bedrijf en het industriële porselein dat hier werd gemaakt.

„Om te begrijpen waarom veel mensen in het oosten van Duitsland zich afkeren van de politiek, of hun stem aan de protestpartij AfD geven”, zegt Bernstein, „moet je teruggaan naar de chaotische tijd na de Duitse eenwording.” Ze heeft vier collega’s van destijds opgetrommeld om daar samen over te vertellen.

Eerst is de stemming gemoedelijk, aan de lange houten tafel die voor het gebouw is neergezet in de schaduw van een paar hoge bomen. Bij Kaffee und Kuchen komen de verhalen los. Trots vertelt Burkhard Krönert, ingenieur en voormalig hoofd van de onderzoeksafdeling, hoe het Volkseigener Betrieb (VEB) Margarethenhütte niet alleen leverde aan landen in het Oostblok, maar ook aan landen in het Westen, zoals Zweden en Australië. „We hadden de modernste techniek.”

„We konden de concurrentie aan met bedrijven in West-Europa”, vult Leonhard Jünger aan, die 17 jaar technisch directeur was. „En we speelden een sleutelrol in de energiesector van de DDR. Hier werkten zo’n 850 mensen. Plus, zoals in de DDR vaker het geval was, enkele tientallen arbeiders uit Mozambique, negentig gevangenen die iedere dag per bus werden afgeleverd, en mensen met een arbeidsbeperking – want iedereen had recht op werk.”

Socialistische broederlanden

In de maanden voorafgaand aan de val van de Muur hadden tienduizenden Oost-Duitsers gebruik gemaakt van de mogelijkheid die er opeens was om het land te ontvluchten, via vooral de ‘socialistische broederlanden’ Hongarije en Tsjechoslowakije. „Maar van ons ging niemand weg”, zegt Reiner Schiemann, die hoofd was van de testafdeling. „We hadden goede lonen, een huis, de kinderen zaten op school. En na de val van de Muur dachten we: ons bedrijf gaat gewoon door.”

Hoofdschuddend zegt Regina Bernstein: „Er was een soort revolutionaire sfeer. Ik vond het prachtig, we kregen vrijheid! Ik was zo naïef. Ik dacht: nu zal de DDR eindelijk veranderen, democratisch worden, een DDR met een gekozen regering.”

Als enige aan tafel zegt Karin Fleischer, destijds verantwoordelijk voor technische controles, dat ze meteen al sceptisch was over wat de toekomst zou brengen. „Het communisme en het kapitalisme waren zulke totaal verschillende systemen.”

Dat zouden de Oost-Duitsers snel ondervinden. Elf maanden na de val van de Muur ging de DDR op in de bondsrepubliek. Duitsland was herenigd, maar de Oost-Duitse economie stortte in. Geen Oost-Duitse consument kocht nog Oost-Duitse producten. Bedrijven moesten opeens rendabel zijn, wat ze niet waren, en kunnen concurreren, wat de meeste niet konden. En ze moesten hun personeel betalen in harde D-Marken, die ze niet of nauwelijks hadden.

De Treuhand, de instelling die was opgericht om te bekijken welke Oost-Duitse staatsbedrijven konden overleven, begon in hoog tempo te saneren, privatiseren en in veel gevallen liquideren. Managers uit West-Duitsland kwamen de vrije markt in de praktijk brengen – in een harde, pure vorm, die het oosten, met zijn sterke vakbonden, nooit had gekend.

De ene na de andere onderneming in Oost-Duitsland moest in die jaren sluiten, maar liefst zo’n 8.000 tussen 1990 en 1994. Vier miljoen mensen verloren hun baan. Hele landstreken raakten hun industrie kwijt.

Foto Tobias Ritz
Foto Tobias Ritz
Het museum ter herinnering aan de voormalige porseleinfabriek.
Foto’s Tobias Ritz

Ook bij de Margarethenhütte in Grossdubrau drong de werkelijkheid snel door. Op 5 december 1990, twee maanden na de Duitse eenwording, kreeg het personeel te horen dat de productie werd stopgezet. Er was geen zicht op rendabele bedrijfsvoering. Een doodvonnis voor de fabriek. „Ik begreep de wereld niet meer”, zegt Bernstein, die in 1973 bij het bedrijf was begonnen.

Het personeel probeerde de fabriek nog te redden, een plan voor een doorstart te maken, er volgde zelfs nog een bedrijfsbezetting. Het was allemaal vergeefs, de nieuwe eigenaar had al een andere fabriek in Oost-Duitsland en wilde de productie daar concentreren.

In juni 1991 kwamen vrachtauto’s de belangrijkste machines weghalen. „Ook onze licenties en de recepten van het porselein namen ze mee”, zegt Schiemann. Het bedrijf, dat na de Tweede Wereldoorlog al eens helemaal opnieuw had moeten beginnen nadat het Sovjet-leger in 1945 alle machines had meegenomen, was nu definitief verleden tijd. „Mijn vrouw en mijn zoon werkten hier ook”, zegt Jünger. „We stonden allemaal op straat.”

Lees ook: In ’89 scheurde in Hongarije het IJzeren Gordijn. Nu zijn ze blij met prikkeldraad

Behandeld als een kolonie

Niemand aan tafel heeft ooit terugverlangd naar de DDR. „Je kan mensen toch niet in een land opsluiten? Of zeggen wat ze moeten denken?”, zegt Bernstein. „In de DDR verkommerde het geestelijk leven, onder meer door het geschimp op het geloof. Maar nu werd de markt opeens zaligmakend.” De oude bondsrepubliek, zegt Schiemann, heeft ons als een kolonie behandeld. „We voelden ons overvallen.”

In het herenigde Duitsland lukte het geen van allen weer werk te vinden waarvoor ze waren opgeleid. „Na twee omscholingen vond ik een baan in de bouw en ik heb verder geploeterd tot ik op m’n zestigste met vervroegd pensioen ging”, zegt voormalig technisch directeur Jünger schamper. Fleischer en Schiemann hebben zich ook via omscholing, gesubsidieerde banen en periodes zonder werk, naar hun pensioen doorgeworsteld. Krönert is uiteindelijk zelfstandig financieel adviseur geworden.

Bernstein is ook zelfstandig, als pottenbakster. „Ik heb nog gesolliciteerd naar een baan in Venezuela, waar ze op zoek waren naar een ingenieur die in industrieel keramiek gespecialiseerd was.” Lachend: „Nu denk ik: gelukkig hebben ze me niet aangenomen.”

Gevraagd of iemand rond de tafel uit frustratie AfD stemt, schudt iedereen van nee. „En de tijd dat je niet durft te zeggen dat je AfD stemt, is hier echt wel voorbij”, zegt Schiemann. De anti-immigratiepartij werd dit voorjaar bij de Europese verkiezingen met 25 procent de grootste partij in Saksen.

Foto Tobais Ritz
Foto Tobais Ritz
Foto’s Tobias Ritz

Over het gevoel van machteloosheid dat zij en vele anderen in de voormalige DDR ervoeren, en nog steeds met zich meedragen, vertelt Bernstein een dag later onder vier ogen verder. Bij haar thuis, op een knus binnenplaatsje met bloeiende planten en sierlijke, zelf gemaakte potten, wordt ze persoonlijker dan met de voormalige collega’s erbij.

„Ik dacht dat ik het langzamerhand wel verwerkt had”, zegt ze geëmotioneerd. „Maar ik kom er nu achter dat ik nog steeds boos ben. We hadden een vak geleerd, maar onze arbeidskracht was opeens niets meer waard. Je werkte in een modern bedrijf, maar dat moest dicht omdat zogenaamd alles niet meer deugde. Geen wonder dat mensen zich gekwetst en vernederd voelden.

„Ik zou nog graag eens in de archieven van de Treuhand nalezen of er werkelijk geen toekomst mogelijk was voor ons bedrijf, of dat we misschien gesloten zijn omdat dat een concurrent goed uitkwam. De politiek dacht: de vrije markt regelt het wel. Maar de vrije markt is een roofdier als je hem zijn gang laat gaan.”

Pijnlijke fouten

Birgit Breuel, die in 1991 president van de Treuhand werd nadat haar voorganger vermoord was door de linkse terreurgroep RAF, heeft onlangs in interviews erkend dat haar organisatie in die chaotische tijd pijnlijke fouten heeft gemaakt. En dat de bevolking in West-Duitsland een dergelijke ingrijpende transformatie nooit geaccepteerd zou hebben.

Bondskanselier Helmut Kohl beloofde de Oost-Duitsers ‘bloeiende landschappen’. Er kwam een enorme geldstroom van honderden miljarden van west naar oost op gang – voor hulp bij de wederopbouw, voor uitkeringen, voor steun aan bedrijven die toekomstperspectief hadden. Er is dertig jaar later veel verbeterd, maar nog steeds is de werkloosheid in het oosten hoger, en zijn de lonen lager, dan in het westen.

„Het gaat niet alleen om materiële dingen”, zegt Bernstein. „We hebben ook een ziel, en die ging kapot. Ons leven stond compleet op z’n kop. In het westen begrepen ze dat niet. Opeens moesten we wennen aan een wereld waarin alles in het teken stond van de vrije markt. Dat waren we niet gewend. Ik wist niet meer hoe ik me moest gedragen. ‘Je moet je ellebogen gebruiken’, kregen we te horen. Maar dat was onze mentaliteit niet.

„Daar werd ik onzeker van. Tot in de supermarkt aan toe. In de DDR moest je lang in de rij staan, want er was gebrek aan alles. Maar dan maakte je een praatje, misschien kon je met iemand iets ruilen. Nu moest alles opeens snel-snel-snel, afrekenen en weg. Die druk, die dwang… En iedereen deed eraan mee, dat moest om te overleven. Ook ik probeerde me aan te passen.

„Ik kwam pas tot rust toen ik in 2000 en 2001 ging werken in een instelling voor gehandicapten. Die mensen waren zichzelf, heel natuurlijk, en ze namen je zoals je was. Daar voelde ik me eindelijk weer op m’n gemak.”

Het rooster van een luchtschacht

Het grootste gebouw van de fabriek ging in 1995 tegen de vlakte. „Dat wilde ik niet zien. Maar een dag van te voren ben ik op het dak gekropen”, vertelt Bernstein met glimmende ogen. „Ik heb het rooster van een luchtschacht meegenomen. Voor ons museum.”

En het verenigde Duitsland? „In de volgende generatie van mijn familie is de eenwording in elk geval geslaagd. Mijn dochter is getrouwd met een man uit Baden-Württemberg, en mijn zoons hebben ook allebei een partner uit het westen. En allemaal wonen ze hier in Saksen.’’