Afzien van euthanasie, kan dat nog?

Dementie Met de zaak tegen een arts die euthanasie toepaste op een demente vrouw wil het OM de interpretatie van de wet helder krijgen.

Verpleeghuisarts Bert Keizer van de Levenseindekliniek, maandag in de Haagse rechtbank: „Ik zou in deze situatie geen euthanasie hebben toegepast.”
Verpleeghuisarts Bert Keizer van de Levenseindekliniek, maandag in de Haagse rechtbank: „Ik zou in deze situatie geen euthanasie hebben toegepast.” Foto David van Dam

Eerst de feiten: een verpleeghuisarts paste op 22 april 2016 euthanasie toe op een zwaar demente 74-jarige vrouw, in het bijzijn van haar man en dochter. Vier jaar eerder was beginnende alzheimer vastgesteld bij de vrouw. Omdat haar moeder daar twaalf jaar onder had geleden in een verpleeghuis, had de vrouw al snel een verklaring opgesteld: zodra zij zo dement zou worden dat ze moest worden opgenomen in een verpleeghuis wilde ze euthanasie.

Toch hoorde die arts maandag in een bomvolle rechtszaal in Den Haag dat justitie haar voor moord veroordeeld wil zien.

Een straf wordt niet geëist, omdat de arts al met pensioen is, geen strafblad heeft en bovendien ook volgens het Openbaar Ministerie naar „eer en geweten” handelde. Maar volgens officier van justitie Thijs Berger heeft de arts wel onvoldoende onderzocht of de oude vrouw nog steeds dood wilde toen ze eenmaal was opgenomen in het verpleeghuis. Op de vraag of ze dat wilde, zei ze op sommige momenten dat het daarvoor nog te vroeg was. Op andere momenten zei ze juist dat ze geen dag langer wilde leven.

Wat het OM de arts zwaar aanrekent, is dat ze niet met de demente vrouw „overlegde” over het voornemen om op 22 april haar leven te beëindigen. De vrouw wist niet dat er op die dag eerst een slaapmiddel in haar koffie zou worden gedaan om haar rustig te maken en dat ze daarna spierverslappers toegediend zou krijgen, die de dood veroorzaken. Volgens de arts had zo’n gesprek geen zin, omdat de vrouw er stress van zou krijgen én het meteen na dat gesprek alweer vergeten zou zijn.

Een ongebruikelijke strafzaak, alleen al omdat de nabestaanden in hun voorgelezen slachtofferverklaring alle steun uitspraken voor de verpleeghuisarts. Zij had hun vrouw en moeder uit haar lijden verlost. Daarvoor zijn ze dankbaar. Sterker: zij hopen dat de arts wordt vrijgesproken van moord en dat geen enkele arts hoeft te vrezen voor strafvervolging bij een zorgvuldige toepassing van euthanasie.

Nachtmerrie voor de arts

De rechtszaak is een „nachtmerrie” voor de arts, zei haar advocaat, Robert-Jan van Eenennaam. Zij zou graag met haar man willen reizen, maar nu is ze 24 uur per dag met de rechtszaak bezig en slaapt ze slecht.

Volgens de arts, die zelf ook kort het woord voerde, maakt deze rechtszaak andere artsen huiverig om euthanasieverzoeken in te willigen of om ze na het voltrekken voor te leggen voor toetsing. Dat laatste is verplicht. Zijzelf had achteraf wel volledige openheid van zaken gegeven, omdat ze dacht dat ze zich aan de richtlijnen had gehouden. Ze had de wilsverklaring en het medisch dossier bestudeerd, maar ook met familieleden, de huisarts, verzorgend personeel en twee zogenoemde SCEN-artsen (voor een second opinion) gesproken. Iedereen was het destijds met haar eens geweest dat euthanasie gerechtvaardigd was, zei haar advocaat.

De regionale toetsingscommissie die euthanasiegevallen beoordeelt en de tuchtrechter waren het daar niet mee eens. Die constateerden eerder al dat de arts beter had moeten navragen bij de patiënt of ze, eenmaal opgenomen in het verpleeghuis, nog steeds dood wilde. De arts kreeg een berisping, later afgezwakt tot een waarschuwing. Het OM besloot de zaak voor de strafrechter te brengen.

In feite probeert justitie nu helder te krijgen hoe de twaalf jaar oude euthanasiewet op het gebied van dementie moet worden geïnterpreteerd. Hoelang is de schriftelijke euthanasieverklaring van een patiënt geldig? En hoe weet je of de demente – wilsonbekwame – patiënt er nog steeds achter staat? Veel artsen weigeren om die reden euthanasie: de patiënt moet een „vrijwillig en weloverwogen verzoek” doen en dat kán niet als je dement bent.

Alzheimer is ongeneeslijk

Als de patiënt niet meer kan communiceren, kun je het niet vragen. Dat hoeft ook niet van de wet. Dan is een eerder opgestelde schriftelijke euthanasieverklaring voldoende. Maar als iemand nog kan praten, en de ene dag zegt dat ze dood wil en de andere dag niet, dan is dat volgens het OM reden voor een arts om te twijfelen. De officier: „De arts had terughoudend moeten zijn én onderzoek moeten doen.”

Dat de vrouw ondraaglijk en uitzichtloos leed, betwist niemand. Dat is een voorwaarde voor euthanasie. Alzheimer is ongeneeslijk en de vrouw was duidelijk ongelukkig in het verpleeghuis. Ze was verward, incontinent, boos, kreeg conflicten met medebewoners en personeel en riep soms wel tien keer per dag dat ze dood wilde. Ze was zelfs zo dement dat ze „vijftig jaar van haar leven kwijt was”, aldus de arts maandag. „Ze dacht dat ze weer kleuterleidster was. Ze wist niks meer van haar eigen euthanasieverklaring.”

Verdere gesprekken erover zouden haar alleen onrustig maken, vond de arts. Ze baseerde haar besluit om euthanasie te verlenen daarom op de wilsversklaring die de vrouw had ondertekend toen ze nog niet dement was, en op de bevestiging van de omgeving dat ze nog steeds dood wilde.

Maar volgens het OM had de arts zich er beter van moeten vergewissen dat de patiënt nog steeds een doodswens had. Volgens de officier van justitie moet ook een demente patiënt de kans krijgen om te kunnen afzien van euthanasie. Hij zei het zo: „Wie heeft het laatste woord? De wilsbekwame vrouw, in haar schriftelijke verklaring? Of de wilsonbekwame patiënt later, die zegt niet dood te willen?” Het antwoord, volgens hem: de laatste.

Verpleeghuisarts Bert Keizer, die zelf regelmatig euthanasie toepast bij de Levenseindekliniek, was ook bij de zitting, als toeschouwer. Volgens hem is het devies: bij twijfel niet doen. „Ik zou in deze situatie geen euthanasie hebben toegepast.” De rechter doet over twee weken uitspraak.

Correctie (28 augustus 2019): in een eerdere versie van dit artikel stond: „Als de patiënt in coma is, kun je het niet vragen.” Dat moet zijn: „Als de patiënt niet meer kan communiceren, kun je het niet vragen.”