Recensie

Recensie Muziek

Mark Everett (Eels) redt het wat brave rootsfestival Once In A Blue Moon

Festival Op een warm en gemoedelijk Once In A Blue Moon werd de toon gezet door blanke mannen met cowboyhoeden. Eels en Courtney Barnett bliezen de rockmuziek nieuw leven in.

Mark Everett op Once in a Blue Moon, dat werd gedomineerd door mannen.
Mark Everett op Once in a Blue Moon, dat werd gedomineerd door mannen. Foto PAUL BARENDREGT

De populairste attractie op de tweede editie van het Once In A Blue Moon festival in het Amsterdamse Bos waren de waterkranen. Het was warm en gemoedelijk op het overzichtelijke festivalterrein, waar 6.500 man gemakkelijk pasten in de drie tenten met overwegend Amerikaanse rootsmuziek.

Cowboys waren er in alle soorten en maten, in het publiek en op de podia waar de geheel in het wit geklede ‘Texas Piano Man’ Robert Ellis begon met zijn lijflied ‘(I am) Fucking Crazy’. Hij was meteen de minst brave van de parade van singer-songwriters, van Dylan LeBlanc met zijn indringende jammerstem tot Israel Nash die de geest van Neil Young uit een fles vol southern rock toverde.

„In ons hart zijn we allemaal rockers, nietwaar?” Duff McKagan, ex-gitarist van Guns N’ Roses, kreeg weinig respons op zijn poging om de sfeer met een nummer van zijn oude band naar een opwindend niveau te tillen. Na de ingetogen countrychansons van Baptiste W. Hamon en de geëxalteerde schreeuwsoul van Michelle David was het de beproefde folkrock van The Waterboys die het publiek in beweging kreeg, onder meer met een versie van The Rolling Stones’ ‘Dead Flowers’ die door zanger Mike Scott van de angel werd ontdaan; Mick Jaggers referentie aan heroïnegebruik „A needle and a spoon” werd bij Scott „A fiddle and a tune”. Tijdens een oerdegelijke set stal de stormachtige violist Steve Wickham de show.

De Nederlandse garagerockers The Grand East waren nog te pril om te overtuigen en bij het samenwerkingsverband van The Dawn Brothers en DeWolff in Next Of Kin werd de gezamenlijke liefde voor Americana-muziek doodgeknuffeld. Onbetwiste ster van de lome festivaldag was zanger Mark Everett alias E van de groep Eels, die zichzelf na de depressieve muziek van weleer opnieuw uitvond als een expressieve, uitbundige rocker.

Lol die aanstekelijk werkt

In songs van The Who en Prince vond Everett aanleiding om zijn arsenaal aan percussie-instrumenten uit te proberen, waarna hij ouders waarschuwde hun kinderen de handen voor de oren te houden bij profane songs als ‘(Goddamn it’s a) Beautiful day’. Everett had er lol in en dat werkte aanstekelijk, tot en met het moment dat hij zelf allang van het podium verdwenen was en zijn band The Beatles’ ‘The End’ inzette.

Courtney Barnett, na Michelle David de enige vrouw op het festival, had Beatles en Stones niet nodig om diepte te geven aan haar Australische punkrock met feministische inslag en stoere gitaristenposes. Rock redde het rootsfestival, dat dit keer wel erg veel blanke mannen met cowboyhoeden en truckerspetten presenteerde.