Opinie

Rutte III moet op weg naar de volgende verkiezingen stilstand zien te voorkomen

oogstjaar

Commentaar

Als zelfs de vaste beveiliger van premier Mark Rutte (VVD) op de jaarlijkse retraitedag van het kabinet in vrijetijdskleding verschijnt, zit het met de onderlinge verstandhouding wel goed. De leden van Ruttes ploeg hebben duidelijk zin in het nieuwe politieke jaar, was de boodschap die afgelopen dinsdag met de ministeriële ‘optocht-in-spijkerboek’ in het Brabantse Oisterwijk moest worden uitgestraald. Een boodschap die luid en duidelijk is overgekomen. Regeren is inderdaad weleens moeilijker geweest.

De macro-economische omstandigheden waaronder het kabinet deze weken de laatste hand legt aan de begroting voor het jaar 2020 zijn onverminderd gunstig. Zeker ook vergeleken met het omringende en concurrerende buitenland. Waar in Duitsland sprake is van een lichte krimp, kon het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor Nederland over het tweede kwartaal nog een economische groei van 1,8 procent melden ten opzichte van het jaar ervoor.

Toch is ook voor Nederland een kentering in zicht. Het Centraal Planbureau heeft de groeiverwachtingen voor volgend jaar licht naar beneden bijgesteld. Zoals directeur Laura van Geest van het Planbureau een week geleden zei, zal ook Nederland te maken krijgen met de „gure wind uit het buitenland”. Een wind waarvan de kracht extra ongewis is, omdat nog altijd totaal onduidelijk is hoe het voor 31 oktober aanstaande aangekondigde vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal uitpakken.

Behoedzaam begroten is dan ook nu het devies, maar dat zou premier Rutte als geen ander moeten weten. Als aanvoerder van de in de oppositie verkerende VVD ageerde hij bij de Algemene Beschouwingen in 2008 tegen de volgens hem veel te zonnige begroting voor het jaar 2009 die het kabinet-Balkenende-Bos bij het parlement had ingediend. Het kabinet „gaat maar door met het opzetten van parasolletjes terwijl er aan alle kanten donderwolken aankomen”, zei Rutte nadat kort daarvoor de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers in de problemen was gekomen. Hij kreeg meer dan gelijk. Enkele dagen later zou wereldwijd de grootste naoorlogse economische crisis uitbreken. Een voor Nederland voorspelde groei met ruim 1 procent, sloeg binnen een jaar om in een krimp met 5 procent.

Een dergelijk zwart scenario is nog ver weg. Vooralsnog is voor het kabinet de vraag aan de orde hoe het de nog altijd aanwezige groei het meest effectief kan aanwenden voor een structurele versterking van de economie. Daarnaast is er het gegeven dat volgens het Centraal Panbureau de Nederlandse economie het vooral zal moeten hebben van de binnenlandse bestedingen, want de export heeft zwaar te lijden onder de ontwikkelingen in het buitenland. Het kabinet doet er dan ook goed aan alles op alles te zetten om een flinke lastenverlichting tot stand te brengen die kan zorgen voor een koopkrachtinjectie.

Dat zou tevens politiek verstandig zijn. De economische opleving van de afgelopen jaren is immers maar zeer ten dele bij de burgers terecht gekomen. Deze – in strijd met de beloften – achterstand in de welvaartsgroei is één van de verklaringen voor het aanhoudende chagrijn onder het electoraat. Premier Rutte kan de werkgevers weliswaar aansporen tot het betalen van hogere lonen, maar de overheid kan in de eerste plaats zelf wat doen door lagere lasten in te voeren. Belastingverlaging past ook prima in het ‘oogstjaar’ dat aanstaande is. De begroting voor 2020 is de laatste waar dit kabinet in de uitvoering de volle verantwoordelijkheid voor draagt.

Als zich niet voortijdig een politieke crisis aandient zijn de verkiezingen voor de Tweede Kamer in maart 2021. Deze naderende datum zal ongetwijfeld een hypotheek leggen op de resterende kabinetsperiode. Zo is er de politieke wetmatigheid dat partijen in een coalitie zich op weg naar de uitgang gaan profileren. In het huidige kabinet zijn dat niet minder dan vier partijen. In elk geval twee hiervan, het CDA en D66 zullen met een nieuwe, nu nog niet bekende lijsttrekker de verkiezingen in gaan. Van VVD-leider Rutte, die zijn partij inmiddels dertien jaar aanvoert, is de vraag of hij opnieuw beschikbaar is. Nieuwe spelers zullen de profileringsdrang nog meer opvoeren.

Onder dit gesternte moet het kabinet dat zijn programma althans in de planvorming grotendeels heeft uitgevoerd, regeren. Inertie ligt vervolgens op de loer. Maar dit hoeft niet. Een opgefrist en op onderdelen aangepast regeerakkoord met bijbehorend investeringsplan kan bijdragen aan het voor overtuigend besturen noodzakelijke nieuw elan. Er liggen plannen genoeg.