‘Wow, dacht ik, de klas is helemaal stil!’

Onderwijs Drie juffen vertellen over hun eerste jaar voor de klas. Over het proppen van vijf dagen in vier, trots op de kinderen, en twijfel. „Halverwege het jaar dacht ik: als dit het is, dan wil ik niet.”

De juffen, vanaf links: Yaelle den Blijker, Marlinde de Wolf, Denize van Essen. „Je maakt voor de kinderen het verschil.”
De juffen, vanaf links: Yaelle den Blijker, Marlinde de Wolf, Denize van Essen. „Je maakt voor de kinderen het verschil.” Foto David van Dam

Werkdrukgelden, lerarentekort, salariskloof – die woorden hoor je als het basisonderwijs weer eens in het nieuws is. Maar leerkrachten Yaelle den Blijker (22), Marlinde de Wolf (23) en Denize van Essen (25) waren daar afgelopen schooljaar helemaal niet mee bezig.

Lees ook: Het lerarentekort is een 'nationale ramp'

Klassenmanagement, lessen voorbereiden, orde houden – dáár waren ze druk mee. Voor het eerst moesten ze zelf een klas draaiend houden.

NRC sprak hen vorig jaar ook, toen ze net afgestudeerd waren aan de pabo.

Hoe hebben ze hun eerste jaar voor de klas ervaren?

„Ik vond het écht leuk”, zegt Yaelle den Blijker, die met een duo-leerkracht voor groep vier stond op een multiculturele school in Amersfoort. „Al dacht ik halverwege het jaar: als dit het is, dan wil ik het niet.” In haar klas van 27 zat een tijdje een jongetje met veel woedeaanvallen. „Het leek alsof er tachtig kinderen in de klas zaten. Maar aan het eind van het schooljaar dacht ik: wow, wat hebben we veel bereikt! De kinderen kunnen langere tijd zelfstandig werken, iedereen voelt zich fijn. Ze bijten van zich af en zorgen voor elkaar. Daar doe je het voor.”

Den Blijker was blij dat ze met een duo-collega werkte. „Zij heeft meer ervaring, ik heb veel van haar geleerd. Toen er zoveel onrust in de klas was, ging ik aan mezelf twijfelen. Ik dacht: ik kan geen orde houden. Maar zij had hetzelfde probleem.”

„Ik moest het helemaal in m’n eentje doen”, zegt Van Essen, die voor groep zeven stond in het Utrechtse Overvecht. „In het begin van het jaar wist ik überhaupt niet hoe ik een klas gezellig moest inrichten. En hoe maak je een planning, welke vakken geef je, hoeveel tijd heb je daarvoor nodig? Praktische zaken die ze je niet leren op de pabo.”

Geen puf

Van Essen moest vijf dagen in haar vier dagen zien te proppen. „Vaak zat ik van kwart voor acht ’s ochtends tot zes uur te werken. Mails beantwoorden, bij de deur staan om de kinderen een hand te geven, lesgeven – en ineens was het alweer half drie.” Dan begon het harde werken pas: gesprekken met ouders voeren, toetsen nakijken, lessen voorbereiden. „Dit jaar krijg ik gelukkig ook een duo-collega.” Ze heeft weleens een paar weken haar mail niet gelezen. „Ik had er geen puf meer voor. In de laatste rapportperiode schrok ik ’s nachts wakker: shit, ik moet nog zo veel.”

„Bij kleuters hoef je niet echt iets na te kijken, dat scheelt”, zegt Marlinde de Wolf, die voor groep twee staat op een christelijke basisschool in Ermelo. „Ik vond het werk wel vermoeiend, maar ook omdat alles nieuw was. Ik had weinig ervaring met kleuters. Ze leren spelenderwijs, Dat is heel anders lesgeven: meer rond zelfbedachte thema’s dan met methodes. Ik heb bijvoorbeeld een memory-spel gemaakt.”

Het werkende leven was wennen. Een vast ritme, ’s avonds je ontbijt klaarmaken voor de volgende dag. Van Essen: „Mijn huisgenoten zeiden: wat ben je toch een oud wijf.” Den Blijker: „Je voelt je heel burgerlijk.” De Wolf: „Toen je nog studeerde kon je af en toe wegdromen, nu sta je de hele dag aan. Ik onderschatte hoe moe je kunt zijn.”

Dat heeft ook voordelen, de hele dag aanstaan, vertellen ze. „Ik vind het heerlijk dat ze de hele dag naar me kijken en luisteren hoor”, zegt Van Essen. „Daarom ben ik juf geworden.” Je kunt experimenteren: welk spelletje kun je verzinnen zodat jij rustig naar de wc kunt gaan, wanneer heeft een waarschuwing het meeste effect? Zeggen: ‘ik zie dat jullie elkaar willen helpen, wacht even tot na mijn instructie’ werkt soms beter dan ‘mond houden nu’. Den Blijker: „Juf zijn is ook een beetje toneelspelen.”

Eenzaam was het soms ook. Van Essen: „Wat doe ik fout, dacht ik als een kind weer eens boos was, waarom lukt het me maar niet? Omdat ik geen duo-leerkracht had, kon ik niet vragen of een kind ook zo deed bij een ander in de klas.” Op haar verzoek kwam er een externe deskundige in de klas kijken. „Die gaf veel complimenten. Ik dacht: ik kan het wél.”

Hij gaf haar ook bruikbare tips. Praat zachter, want dan moeten ze hun best doen je te verstaan. Of: geef een kind geen standje voor de hele groep, maar loop even naar hem of haar toe, want zeker in de Marokkaanse gemeenschap speelt schaamte een grote rol. „Dat had ik op de pabo wel geleerd, maar omdat je zo bezig bent die klas rustig te houden, vergeet je dat soort dingen.”

Lees ook: Elke school heeft nu zijn eigen concept

Op de pabo leer je te weinig over de kinderen met wie Van Essen en Den Blijker werken, vinden ze. Die hebben allerlei nationaliteiten, vaak een taalachterstand en kunnen écht lastig gedrag vertonen. „‘Wat moet je doen als een kind door het lint gaat’, dat zijn drie lessen in vier jaar pabo, van een powerpoint”, zegt Den Blijker. „We leerden dat je een kind altijd op een bepaalde manier moet aanspreken, met een ik-boodschap...”

„...ach, hou toch op.”

„Dus als iemand met tafels gooit, moet ik zeggen: ‘Ik zie dat je met tafels gooit, ik heb daar last van, zou je op je stoel willen gaan zitten?’ Sorry hoor, maar zo’n kind gooit de tafel naar mij als ik dat zeg. Een kind dat zo boos is, heeft juist behoefte aan een duidelijke grens.”

‘Leg het ze gewoon uit’

Van Essen: „Op de pabo bieden ze allerlei les-ideeën, maar die zijn eigenlijk vooral handig als je tijd over hebt. Hartstikke leuk dat ik een rekenles aan een natuurkundeles kan koppelen, maar daar heb ik helemaal geen tijd voor. Het was doorstampen.”

Den Blijker: „Op de pabo leer je over rekenonderwijs dat je kinderen een probleem moet geven dat ze zelf moeten oplossen. Maar mijn directrice zei: ‘Doe dat nooit, dan raken de kinderen in de war. Leg het ze gewoon uit.’” Den Blijker: „Ja, zelf zo’n probleem oplossen: dat zou passender zijn op een, laat ik zeggen, witte school, waar kinderen al meer kennis van thuis hebben meegekregen.”

Van Essen en Den Blijker werken wel heel graag met leerlingen van diverse komaf. Ze zouden ook wel naar het speciaal onderwijs willen. Van Essen: „Van mij zou het nog wel een tandje harder mogen.” Den Blijker gaat komend jaar in deeltijd een master ‘educational needs’ doen, over gedrag: deels geïnspireerd op het jongetje in de klas dat zoveel onrust veroorzaakte. Ze wil leren hoe ze kinderen zoals hij beter kan helpen.

„Ik ben gek op ze, ze zijn geweldig”, zegt Van Essen. „Het is zo leuk om te zien dat je training vruchten afwerpt. Ineens kunnen ze dan zelfstandig werken – wow, dacht ik, jullie zijn stil! Ik ben zo trots op ze.”

Lees ook: Met een mannenpabo verdwijnt het lerarentekort

Den Blijker: „Eén goed moment kan vijf mindere momenten goedmaken. Je maakt bij deze kinderen echt verschil. Als je bij leerlingen thuiskomt, dan staat de klassenfoto ingelijst. Tegenover de school is een nieuwe supermarkt gebouwd, ze zijn er maanden mee bezig geweest. Alsof het om de Efteling ging. ‘Ik ga vanmiddag naar de nieuwe Lidl!’

De Wolf: „De waardering van de kinderen vond ik het allerleukst. Als ze me in het dorp tegenkwamen, waren ze door het dolle. Kinderen vinden snel iemand lief, maar toch doet dat goed.”

De klas van Van Essen organiseerde een surpriseparty voor haar verjaardag. Ballonnen in het lokaal, taart, cadeautjes. Ze blijft dit jaar de klas één dag per week ondersteunen, op eigen verzoek. „Ik kan nog geen afscheid van ze nemen. Ze zijn mijn eerste echte klas. Ik ga ze nooit vergeten.”