‘Treurig dat wij ons nu gedragen als de ergste kartelpartij’, appten ze bij FVD

Deze week: notities, appjes en andere berichten over de partijruzies van deze zomer.

Ofwel: als zelfs politici amper nog begrijpen wat democratie van ze vergt.

In Den Haag waren deze week de gangen vooral nog leeg, er hing op plaatsen een muffe geur, je dacht: hier is een tijdje te weinig voorgevallen. Het vreemde was natuurlijk dat je wel beter wist.

De hele zomer toestanden in allerlei partijen - FVD, SGP, GroenLinks, VVD, PvdD. Interessante toestanden.

Lees ook: ‘Henk Otten is als een hond behandeld’

Want in veel gevallen ging het om conflicten die een erg mager democratiebesef onthulden, en dat in organisaties, politieke partijen, die de democratie horen te schragen. Vooral FVD en PvdD sprongen er wat dit betreft uit.

Het is mode somber te doen over de liberale democratie. Wie een politieke bestseller wil schrijven, moet minimaal zinspelen op het einde ervan.

Maar in de vakantie las ik in het Amerikaanse Tablet magazine een fraai essay van de Israëlische academicus Shany Mor – Nobody understands democracy anymore.

Ik weet niet of ik het met al zijn punten eens ben, maar overtuigend laat hij zien dat al die sombere boeken – The people vs democracy; The road to unfreedom; How democracies die etcetera – vooral uitblinken in een gebrekkig begrip van wat democratie is. Dat niet de democratie primair in gevaar is, maar ons democratiebesef.

Hij constateert dat we in het Westen nu zozeer gewend zijn aan vluchtigheid – slogans, geschreeuw, entertainment – dat we zijn gaan doen alsof democratie hetzelfde is als stemmen. Terwijl het in de democratie óók gaat om bescherming van instituties, om respect voor de rechtsstaat en andersdenkenden, om maatschappelijke normen, om onderhandelen en inschikken – om vertegenwoordiging.

En wat zo interessant was aan die zomerse conflicten, vooral in FVD en PvdD, is dat veel hiervan ook in die partijen leek te ontbreken.

Dus ik dacht: daar duik ik nog even in.

Zo viel op dat vrijwel alle media-aandacht voor het vertrek van het Tweede Kamerlid Femke Merel van Kooten uit de dierenpartij PvdD in het teken stond van ‘zetelroof’. Volgens haar eigen toelichting in het AD, zij blijft zelfstandig Kamerlid, is het probleem dat haar voormalige partij zozeer begaan is met het dier dat ze te weinig oog heeft voor mensen.

Beide kan waar zijn – ik hoorde ook over ontluisterende pesterijen binnen de PvdD. Niveau derde klas lagere school.

Democratisch onvermogen

Maar wat vooral opviel, is dat er amper aandacht was voor het democratische onvermogen van een toch pretentieuze partij als de PvdD, die vorig jaar, als enige, tegen de volledige rijksbegroting stemde omdat het kabinet te weinig aan duurzaamheid en dierenwelzijn doet.

Op zich is het natuurlijk legitiem op principiële gronden tegen extra geld voor zorg, onderwijs en klimaat te stemmen.

Alleen: wat stelt zo’n principiële positie in een democratie eigenlijk voor wanneer je, als partij, nog niet in staat bent vijf fractieleden op de been te brengen die begrijpen dat democratische politiek, alle democratische politiek, begint bij onderling begrip en inschikken?

Je kunt eisen dat hele bedrijfstakken verdwijnen, dat burgers anders gaan eten en leven, allemaal prima, maar zulke hoge eisen aan anderen stellen en dan zélf geen groepje Kamerleden kunnen vormen dat snapt dat democratie begint bij onderlinge samenwerking – het leek me nogal een afgang.

En het interessante was: bij FVD, een partij die uitdrukkelijk ambieert de democratie te redden, had je soortgelijke gebreken.

Deze zomer ging veel aandacht naar de vraag of medeoprichter Henk Otten persoonlijk voordeel had van zijn functie als kasbeheerder. Daar kwam je niet uit, want andere FVD-kopstukken bleken vorstelijke bedragen van de partij te hebben ontvangen.

Het vakblad De Accountant veegt deze week bovendien de vloer aan met het interne FVD-rapportje dat Otten aanwees als mogelijke fraudeur; eerder trok het ministerie van Binnenlandse Zaken een vergelijkbare conclusie.

Luister ook de podcast Haagse Zaken: Zo begon het einde van Henk Otten bij FVD

Vooral bleef me de opmerking van NRC-collega Philip de Witt Wijnen bij, onze FVD-watcher, die laatst in de podcast Haagse Zaken de vraag stelde hoe de FVD-leden eigenlijk beoordelen dat de partijtop voortdurend geld aan zichzelf uitkeert.

Intussen leerde ik uit gesprekjes in de partij beter wat er de afgelopen jaren binnenskamers is gebeurd. Otten was er de dominante organisator, Baudet het boegbeeld. Ze deden van alles goed en slim, ze hadden voor een partij erg veel geld en ledenaanwas, maar begin dit jaar waren de twee medeoprichters – hun succesvolle Statencampagne moest nog beginnen – in feite al op elkaar uitgekeken. Het blijkt uit de stukken.

Voordien luisterde Baudet nog naar Otten. Dus toen Baudet in 2018 opwierp om een pro-Russische Brit, werkzaam bij een met Russisch geld betaalde denktank, tweede op de Europese lijst te zetten, ging dat niet door. Zoals dat hoort in een gezonde partij: democratische gezindheid die het wint van individuele voorkeuren.

Al was Baudets voorkeur beslist opmerkelijk: welke democratische politicus wil nou een Kremlin-aanhanger als een van zijn volksvertegenwoordigers?

Maar na de zege bij de Statenverkiezingen en de beruchte boreale rede, 20 maart, ging het volledig fout. Ik las een notitie voor het partijbestuur van 31 maart, waarin Otten aandrong op „verdere professionalisering” van de partij.

Parallelen met de LPF

„Deze fase van snelle groei kan binnen de kortste keren ontaarden in een totale chaos’’, stond er. Hij zag „verontrustende parallellen’’ met „de LPF in 2002”.

Geluisterd werd er niet – en na het vertrek van een kwart van de senaatsfractie deze week, onder wie Otten zelf, kunnen we veilig stellen dat het gevreesde scenario zich heeft voltrokken. Inderdaad een blijk van ongedacht amateurisme à la de LPF.

En helemaal interessant was de wijze waarop de Eerste Kamerfractie begin juni een fractiebestuur koos: via een biechtstoelprocedure in Baudets werkvertrek in de Tweede Kamer.

Fractievoorzitter en rechtsfilosoof Paul Cliteur zag geen probleem. Maar enkele senatoren verzetten zich hevig. „De EK-fractie en de EK-fractie alleen gaat [hier]over - en niet de fractievoorzitter in de Tweede Kamer of het partijbestuur”, appten ze elkaar.

Otten beval op enig moment „een cursus staatsrecht aan de EK fractie” aan. Een pijnlijke bevestiging van de stelling, hierboven, uit het essay van Shany Mor in Tablet magazine – maar dat zullen de FVD-senatoren zich niet gerealiseerd hebben.

Uiteindelijk constateerde een van hun collega’s in de app-groep dat het „treurig [is] om te zien dat een democratische vernieuwingsbeweging zich nu binnen no time erger gedraagt dan de ergste kartelpartij”.

Van alle zomerruzies zal die in hun partij vermoedelijk de grootste gevolgen hebben. Naast de drie senatoren vertrokken deze week ook talrijke Statenleden uit Forum, en bekend is dat meer FVD-senatoren twijfelen aan de partijleider.

Intussen heeft de grote winnaar van maart zichzelf voor jaren uitgeschakeld als mogelijke coalitiepartner: aan zo’n grillige en amateuristische voorman wil geen serieuze partijleider zijn handen branden.

Maar het belangrijkste aspect aan dit hele zomerdrama blijft, lijkt me, hoezeer zelfs binnen parlementaire partijen het democratiebesef in verval is geraakt: dat samenwerken en inschikken zeker zo belangrijk zijn als gelijk krijgen. Het doet niet vermoeden dat het in de maatschappij veel beter zal zijn.

Dus als een politicus nog eens verplichte volksliedlessen of verplicht museumbezoek voor scholieren bepleit, is het misschien goed als een collega op een urgenter vraagstuk wijst: dat wij weliswaar allemaal democraten zijn, maar te vaak niet meer weten wat dit precies betekent.