Recensie

Recensie Boeken

Sylvia Weve doet de gekte en energie van Cobra-kunst herleven

Kinderboek Het duo Bette Westera en Sylvia Weve treedt ogenschijnlijk moeiteloos in de voetsporen van de Cobra-beweging. Het verhaal wemelt van de even eigenzinnige als vernuftige verwijzingen naar kunst.

‘Marie, dit is geklieder’. Zo luidt de openingszin in Dit is geen Cobra, een onverwacht, vrolijk makend prentenboek van het succesvolle duo Bette Westera en Sylvia Weve dat dit voorjaar verscheen en onterecht onder op de recensiestapel belandde. Niet geheel toevallig lijkt het verhaal van Marie, die niet binnen de lijntjes wil kleuren en vervolgens naar ‘de Ambassade voor Kinderen met Waarnemingsproblemen en Aanpassingsmoeilijkheden’ wordt verbannen, wat op Weves eigen jeugdgeschiedenis. Weliswaar werd Weve niet van school gestuurd, maar had ze, net als Marie, wel last van een juffrouw die haar creativiteit stelselmatig de kop in probeerde te drukken. Als ze intuïtief iets maakte, of associeerde bij een onderwerp in plaats van de schoolbordtekening na te tekenen, was het fout en kreeg ze slechte cijfers. Terwijl ze niets liever deed dan in vrijheid tekenen.

Geklieder

Deze favoriete anekdote van Weve is voor een prentenboekverhaal over Cobrakunst natuurlijk een fantastisch uitgangspunt: juist bij deze naoorlogse avant-gardistische kunstbeweging stond het vrije ‘geklieder’ hoog in het vaandel, onder het motto: ‘niks is wat het lijkt’. De Cobra-kunstenaars waren rebels; ze streefden een directe en spontane expressie na waarbij ze zich lieten inspireren door kindertekeningen en naïeve (volks)kunst, en ze experimenteerden naar hartenlust met werkwijzen en uitdrukkingsvormen.

Die vrije aanpak is Weve en Westera op het lijf geschreven. Met zichtbaar plezier zijn ze ogenschijnlijk moeiteloos in de voetsporen van de Cobra-beweging getreden. Zo hebben ze onder andere elkaars artistieke disciplines beoefend: ‘Sylvia Weve, beeld en woord’; ‘Bette Westera, woord en beeld’, staat er voorin het boek. En dan moet je nog beginnen: het eigenlijke verhaal wemelt van de even eigenzinnige als vernuftige verwijzingen naar Cobra-kunst. Heel prettig daarbij: er is geen educatieve ondertoon.

Het verhaal krijgt vaart wanneer Marie door medeleerlinge Kris (die eigenlijk een jongen is) via de deur van de klerenkast op de Ambassade-zolder in een geheim atelier belandt. Wie zijn klassiekers kent, weet dat haar daar een speelplaats voor de fantasie wacht. Eerst wordt ze betoverd door ‘maanverlichte schilderijen’. Daarna ontmoet ze kunstschilder Bram en zijn vriendin Corry, die de kinderen laten schilderen wat ze willen. ‘Maak er wat moois van’, luidt hun credo. Dus schildert Marie, ‘soms met een kwast en soms gewoon met haar vingers’ paarse kanaries op wieltjes en schaatsende zwanen die onmiskenbaar Corneille in herinnering roepen, en schildert Kris een groen jongetje, want zij ‘was heel goed in zelfportretten’.

Feit of fictie

Die niks-is-wat-het-lijkt-dubbelzinnigheid vormt de spannende rode draad. Ja, Weve is Weve: haar illustraties zijn zwierig en humorvol als altijd, met expressieve koppen met grote neuzen en grijzende monden. Tegelijkertijd is het niet moeilijk om in de felle kleuren, beweeglijke vormen en soms wat primitieve afbeeldingen Cobrakunst te herkennen. Bovendien stikt het van de verrassende woordgrapjes en absurditeiten die onder Maries verhaal staan (maar soms ook links of rechts waardoor je het doeltreffend vormgegeven boek regelmatig moet draaien) en het resultaat zijn van speelse associatie. Als Corry het werk van Marie en Kris bijvoorbeeld ‘magnifiek’ noemt, vind je behalve de betekenis van dat woord, een uitleg over de oorsprong van de naam Corry, waarna je via Cornelius en Corneille en de Cobrakunstenaars – indertijd ook ‘Barbaren’ genoemd – bij de Vikingen uitkomt.

Dit heerlijk ontregelende taal- en beeldspel wordt knap en consequent gespeeld. Tot het einde toe, wanneer inspecteur Cornelis Schimmelpenning van ‘het Ministerie van Vorming en Scholing’ orde op zaken in de Ambassade komt stellen, word je op het verkeerde been gezet. Hoewel de goede lezer/kijker dan al kan weten dat deze Cornelis niet is wie hij lijkt. Zelfs in de verantwoording wordt de wereld op zijn kop gezet. Terecht: of iets feit of fictie is, is artistiek gezien oninteressant. ‘Die kleuren, die vrijheid, dat speelse’, dat is waar het om draait in dit verrukkelijke boek dat ‘geen Cobra is’, maar als hartstochtelijk pleidooi voor grenzeloos denken en doen wel Cobra ademt.