Na vijftig jaar zwijgen deed ze haar verhaal

Jeanne Alida ‘Jan’ Ruff-O’Herne (1923-2019) De op Java geboren Ruff-O’Herne was seksslavin voor Japanse officieren. Ze streed voor vrouwen die hetzelfde overkwam.

Jan Ruff-O’Herne als jonge vrouw.
Jan Ruff-O’Herne als jonge vrouw. Foto Wiki Commons

Die Nederlandse onderscheiding vond Jan Ruff-O’Herne natuurlijk mooi om te krijgen. „Maar ik weet niet wat ik er mee moet”, zei ze een paar jaar terug tegen de journaliste Griselda Molemans. Want de Nederlandse regering deed naar het idee van de mensenrechtenactiviste, die afgelopen dinsdag op 96 jarige leeftijd in het Australische Adelaide overleed, niets om de Japanse regering te bewegen tot het maken van excuses aan alle vrouwen die door het Keizerlijke Leger van Japan waren gebruikt als seksslavinnen.

In 2001 werd Ruff-O’Herne onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor haar inzet voor seksueel misbruikte vrouwen in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Maar haar inzet was veel breder: gericht op alle vrouwen, ook buiten het voormalig Nederlands-Indië die door Japanse militairen zijn misbruikt. Volgens Griselda Molemans, wier boek Levenslang oorlog in januari zal verschijnen, gaat het om naar schatting 500.000 vrouwen die tussen 1933 en 1945 in 23 door Japan bezette gebieden slachtoffer waren van een systeem van gedwongen prostitutie.

Met dat systeem maakte Ruff-O’Herne kennis in februari 1944 toen zij werd geselecteerd om met zes anderen te werken in een militair bordeel aan de noordkust van Java. Jeanne Alida Ruff, kortweg Jan, werd 21 jaar eerder geboren in Bandoeng, het mondaine centrum van West-Java. In haar autobiografie Fifty Years of Silence: The Extraordinary Memoir of a War Rape Survivor (1994) beschreef ze wat haar overkwam en hoe dat haar verdere leven heeft beïnvloed.

Militair bordeel

Ruff-O’Herne was na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië begin 1942 met haar moeder en twee zussen opgesloten in het kamp in Ambarawa, nabij Semarang. Nadat ze met haar zes lotgenoten was overgeplaatst naar het militair bordeel werd ze drie maanden lang iedere avond verkracht door Japanse militairen. Ze schreef: „We protesteerden uit alle macht dat we dit nooit zouden laten gebeuren. Dat het een schending was van alle mensenrechten, dat we nog liever doodgingen dan dat we dit zouden laten gebeuren. De Japanners stonden erbij te lachen, zeiden dat wij hun gevangenen waren en dat zij met ons konden doen wat ze wilden en dat onze families eronder zouden lijden als we niet gehoorzaamden.”

Ruff-O’Herne schrijft over het geweld en over de allesoverheersende angst die haar hele leven bij haar is gebleven. Het trauma beheerste ook het leven dat zij vanaf 1946 leidde met haar Britse echtgenoot. „Het ergste van alles was dat ik die angst elke keer voelde als mijn echtgenoot met mij vrijde. Ik ben nooit in staat geweest om van seksuele gemeenschap te genieten als gevolg van wat de Japanners met mij hebben gedaan”.

Vijftig jaar zweeg Ruff-O’Herne uit diepe schaamte over wat haar was overkomen. Totdat zij in 1992 op televisie drie Koreaanse ‘troostmeisjes’ zag getuigen. Om die vrouwen te steunen besloot ook zij haar verhaal te doen. „Er waren veel verhalen verteld over de wreedheid, het lijden en de honger die Nederlanders ondergingen in de Jappenkampen. Maar één verhaal was nooit verteld. Het meest beschamende verhaal over de ergste mensenrechtenschendingen gepleegd door de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog.”

Onderdeel van een oorlog

Ruff-O’Herne sprak op de Internationale Openbare Hoorzitting inzake Japanse Oorlogsmisdaden in 1992. Haar ging het erom te wijzen op het feit dat verkrachting van vrouwen kennelijk als normaal onderdeel van een oorlog werd beschouwd. Ze wees op verkrachting van Bosnische vrouwen en van vrouwen in Oost-Timor door Indonesische militairen.

Een compensatie van het Asian Women’s Fund voor Nederlandse slachtoffers wees zij van de hand. Ruff-O’Herne beschouwde het fonds als een belediging en eiste dat Japan het verleden onder ogen zag en oprechte verontschuldigingen aanbood.

In 2007 sprak zij voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Daar zei ze dat zij de Japanners had vergeven voor wat zij haar hadden aangedaan. „Maar ik kan het nooit vergeten. Vijftig jaar hebben de troostmeisjes de stilte bewaard, zij leefden met verschrikkelijke schaamte, met een gevoel besmeurd en bevuild te zijn. Het heeft vijftig jaar geduurd voordat de geruïneerde levens van die vrouwen een mensenrechtenkwestie werden.”

Jan Ruff-O’Herne in 2007 Foto Getty