Zo ga je op een geslaagde fietsvakantie met kinderen

Fietsvakantie Wie denkt aan fietsen met kinderen ziet vaak eerst de praktische obstakels. „Problemen lijken op afstand altijd groter dan als je er middenin zit.”

In de vroege zomer van 2018 landen Kelly Broux en Stijn Opheide in Vancouver, Canada. In het hostel hebben ze één week tijd om hun vakantiefietsen in elkaar te zetten en de laatste spullen te verzamelen – een waterfilter, berenspray, een lichtgewicht tent voor vier personen. En, niet onbelangrijk, zoon Lowie van net drie moet leren fietsen.

In de fietskar zou hij het onmogelijk 3,5 uur per dag kunnen volhouden. Hij moet bewegen. De enige oplossing is dat Lowie zelf elke dag een stukje fietst. Hij zal met zus Martha (5) een kinderfiets delen.

In de dagen daarop neemt de stress toe. De kelder van het hostel is te krap om aan fietsen te sleutelen. En de backpackers die het hostel bevolken hebben een ander dag- en nachtritme dan het gezin.

Als de vier na een week uit Vancouver wegrijden – Lowie kan fietsen – zijn het de Canadezen die voor nog meer twijfels zorgen. Kelly Broux herinnert zich hoe ze na de eerste kilometers vastliepen op wegwerkzaamheden. „Een van die mannen keek in de fietskar en riep: Are you crazy? Hij wees omhoog, naar de bergen. It’s going up there.”

In de vier maanden die volgen legt het gezin tweeduizend kilometer af, dwars door de Rocky Mountains. Ze trotseren een hittegolf, modder en onweersbuien. Op een boodschappenritje ziet Stijn Opheide een beer.

Zestig minuten lunchen

Niet alleen de Canadese wegwerker had vragen, vertelt Kelly Broux. Zij zelf dacht die eerste dagen ook: waar zijn we aan begonnen? Hoe doen we dat met beren? En de kinderen, zijn die niet te klein? De route, The Great Trail, blijkt meer „een concept” dan een aaneengesloten fietspad. „Je denkt als Europeaan dat het een goed georganiseerd fietsroutenetwerk is. Maar er zijn stukken waar je de fiets moet duwen.”

Maar als het gezin na enkele dagen een ritme vindt, verandert alles.

Rond tien uur ’s ochtends zitten ze op de fiets, anderhalf uur later lunchen ze, meestal een uur lang, en als de kinderen ’s middags in de fietskar slapen, trappen hun ouders door. Ze halen zo, berg op, berg af, een gemiddelde van 30 kilometer per dag. Ze slapen bij gezinnen langs de route (fietsers die elkaar een slaapplek aanbieden) of zetten de tent op aan de rivier.

Josephine Rombouts woonde vijf jaar in Schotland. Wat valt haar op nu ze weer terug is in Nederland? Lees ook: ‘Ik vind het geweldig, fietsen in Nederland’

De truc is, zegt Broux, om je over te geven aan het ritme van je kinderen. „Wij hebben nooit moeilijk gedaan als ze na een kwartiertje fietsen alweer wilden stoppen. Dan bonden we die kleine fiets gewoon weer op de bagagekar.”

Zij zag dat ze inventief werden van weinig speelgoed, dat ze opbloeiden van de voorspelbaarheid van de fietsdagen, van veel vertrouwen van hun ouders, en van worsten bakken boven een kampvuur. Broux: „Ik was bang dat het te stil zou worden. Met z’n viertjes, al die weken tussen de bomen. Maar samen in een tentje wakker worden is het mooiste wat er is.”

Vrijwel niets lijkt op thuis

Wie denkt aan fietsen met kinderen ziet vaak eerst de praktische obstakels: hoe krijg je alles mee? Waar laat je de kinderen? Wat doe je als het regent? Broux vertelt dat zij „late beslissers” zijn, dat zij vooraf zo min mogelijk nadenken: „Anders vertrek je namelijk niet.” Als ze nu de foto’s bekijkt, vraagt ze zich ook af hoe ze het voor elkaar hebben gekregen, 22.000 hoogtemeters dwars door berenland. „Problemen lijken op afstand altijd groter dan als je er middenin zit.” En het gekke is, zegt Stijn Opheide: dat gebrek aan spullen, aan routine, aan vastigheid, dat is misschien wel de kern van het succes. Dat een fietsvakantie in vrijwel niets op thuis lijkt, maakt het juist zo geslaagd.

Ooit probeerden ze een campervakantie, vertelt Opheide. „Maar dan sta je toch al snel weer te huishouden.” De afwas moet gedaan, de vloer geveegd, of de ramen gelapt – juist op de fiets is er meer tijd voor het gezin, voor de kinderen.

Stijn: „Je hebt vier kommen en een lepel, bijna niks om vies te maken.” Kelly: „Iedereen heeft een zak met kleren. ’s Ochtends grabbel je er een broek en een T-shirt uit. Je hoeft nauwelijks na te denken. Zo simpel wordt het.”

Zeker zijn van slaapplek

Elsbeth Vermeulen en Oscar Hinze gingen met veel meer bagage op reis. Zij fietsten vorig jaar op twee bakfietsen met twee kinderen – Lucy van 4 en Beau van 1 – in vier maanden van Amsterdam naar Spanje. Ze wilden duurzaam op reis – geen vervuilende campervakantie in Australië, maar ook niet moeilijk doen over een kilo bagage meer of minder. Vandaar de bakfietsen dus – elektrische bakfietsen. Elsbeth Vermeulen: „Twee keer 180 kilo in totaal. Dat lukt niet met een gewone fiets. Als je op een helling stil komt te staan, kom je zonder batterij niet meer in beweging.”

Op camping Polemonium in Opende is alles gratis. Maar de camping is er alleen voor mensen die door geldgebrek nooit op vakantie kunnen. Lees ook: Zo goed als niets te besteden, tóch met vakantie

Met z’n vieren legden ze gemiddeld 70 kilometer per dag af. Voor iedere fiets ging er een extra batterij mee. Vooraf drukten ervaren fietsers hen op het hart dat ‘onderweg zijn’ de essentie van een fietsvakantie is. Dat de eindbestemming niet telt.

„Niet waar”, lacht Vermeulen. „We waren iedere dag aan het plannen en rekenen.” Hoeveel dagen fietsen tot de Spaanse grens? Waar gaan we slapen? Hoe steil is de route? Haalt de batterij het tot de volgende supermarkt? Vermeulen: „Met kinderen moet je zeker zijn van een slaapplek. En met een fiets kun je niet zomaar een extra slinger maken.”

Het gouden land

„Er zijn stukken waar je negentig kilometer lang geen campings en geen winkels tegenkomt. De graanschuur van Frankrijk, het gouden land, vréselijk saai.” Maar ook dat heeft dus wel wat, vond Vermeulen, dat grote niks. „Als je niet de hele tijd wind tegen hebt.”

Misschien is dat wat ze mindfulness noemen, denkt ze. Het leek wel alsof er voor alles die maanden méér tijd was. „Je praat meer”, zegt ze, al scheelde het ook dat de route rustig was, en zij dus met twee keer zeventig centimeter bakfiets naast elkaar konden fietsen. „Je ziet dingen die je normaal niet ziet.” Zoals dat er meloenen naast het fietspad groeien.

Vermeulen fietst deze zomer met haar gezin door Groot-Brittannië. Kelly Broux en Stijn Opheide fietsen van de Middellandse Zee naar huis (Leuven). Ze zijn Oostenrijk door, en net in Duitsland aangekomen. Het leven op de fiets gaat trager, maar net snel genoeg om steeds weer iets nieuws te zien. Geen snelwegen, weinig verkeer. Geen tv, veel tijd om na te denken.

Vorige week, het was al avond, parkeerde er een Nederlands gezin naast hen. Met caravan. „Ze kwamen zich heel beleefd voorstellen, en vertelden dat ze hier twee weken kwamen kamperen”, mailt Kelly Broux. „Twee weken op één camping!” Maar dat gezin denkt natuurlijk precies hetzelfde over hun fietsvakantie. „Hun maag keert om bij het idee dat wij morgenvroeg op de fiets springen met 70 kilo achter ons aan.”

Kelly Broux zegt dat zij gelukkig worden van het gegeven dat je als gezin voortdurend progressie voelt. Op een foto ploetert Stijn Opheide tegen een modderige helling op. Achter op zijn fiets een bult bagage en een kinderfiets, daarachter een fietskar, en daar weer achter de vijfjarige Martha die haar fiets voet voor voet omhoog duwt. „Je fietsdoel halen maakt gelukkig”, zegt ze. „Samen oplossingen verzinnen voor de problemen waar je tegenaan loopt.”