Opinie

We bevinden ons in een krankzinnig theater met dolgedraaide activisten van links en rechts

Michel Krielaars

In De wereld van gisteren, Stefan Zweigs nog altijd zeer actuele herinneringen aan het ondergaande Europa van voor de Tweede Wereldoorlog, staat een mooie passage over schrappen als voorwaarde voor het schrijven van een goed boek: ‘Het bestaat uit een voortdurend overboord gooien van ballast, een voortdurend verhelderen en concentreren van de innerlijke opbouw’. Bij Zweig leidt dat tot grote kunst, waar Lucinda Riley, die meesteres van het uitgesponnen liefdesverhaal, nog wat van kan leren.

Behalve schrijvers zoals Zweig, die met weinig woorden veel zeggen, en Riley, die met veel woorden weinig zeggen, heb je er ook die met veel woorden veel zeggen, maar dan in kort bestek. Van die laatsten is Thomas Bernhard een goed voorbeeld. Met Zweig heeft hij gemeen dat hij Oostenrijker is en in zijn herinneringen haarscherp het gewelddadige wezen van de nazi’s beschrijft. Zweig doet dat aan de hand van een fakkeloptocht van triomfantelijke nazi’s. Vanuit zijn huis op de Kapuzinerberg in Salzburg ziet hij, als voorbode van het kwaad dat de wereld te wachten staat, ’s nachts hun vuur oplichten aan de andere kant van de grens met Duitsland, op de Bergtesgadenseberg in Beieren. Bernhard beschrijft op zijn beurt in Een kind, het eerste deel van zijn herinneringen, hoe hij als kind in Beieren merkt dat er op zondag behalve biddende, zwartgeklede massa’s ineens brullende, bruingeklede massa’s op het stadsplein verschijnen. Maar waar bij de humanistische Zweig de liefde voor de mens in al zijn zwaktes voorop staat, overheerst bij aartscynicus Bernhard de haat jegens de wereld en de mensheid.

De kracht van Bernhards proza viel me opnieuw op in zijn onlangs door Ria van Hengel knap vertaalde en door de onvolprezen uitgeverij Vleugels gepubliceerde De dagschotelaars (Die Billigesser). Het is een tijdloos verhaal, dat je in deze tijd van maatschappelijke polarisatie extra naar een schrijver als de in 1989 overleden Bernhard doet snakken, omdat hij je door zijn boosheid op alles en iedereen kan laten zien in wat voor een krankzinnig theater met dolgedraaide activisten van links en rechts we ons zo langzamerhand bevinden.

Het verhaal van De dagschotelaars is simpel, maar geschreven in soms paginalange zinnen vol vermakelijke herhalingen. Koller, een universitair medewerker, wil een boek schrijven over fysionomie. Hij is er al zestien jaar mee bezig, maar heeft nog geen letter op papier. Het idee voor zijn boek kreeg hij nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen, waar zijn linkerbeen werd afgezet vanwege een hondenbeet. Voorzien van een riante schadevergoeding van de hondeneigenaar heeft hij sindsdien tijd van nadenken. Zijn doordeweekse dagen brengt hij door in de Wiener Öffentliche Küche, waar hij de goedkope dagschotel nuttigt met vier bevriende stamgasten, de dagschotelaars.

Op een dag besluit hij hen tot zijn studieobjecten te maken. Op zijn Bernhards leidt dat tot cynische bespiegelingen over de samenleving, waarvan ik er hier een deels citeer: ‘De geestesmens deed er goed aan van meet af aan tegen zijn ouders en tegen zijn leraren en tegen de maatschappij en überhaupt tegen alles te zijn om zichzelf om te beginnen volkomen vrij te maken van die ouders en leraren en van die maatschappij, om die vervolgens in de loop van de tijd werkelijk en scherp en meedogenloos te kunnen observeren en beoordelen…’ Het leest als een opdracht aan elke beginnende schrijver.