Opinie

Duivelspact tussen Hitler en Stalin is geen geschiedenis

Het is deze donderdag precies tachtig jaar geleden dat Stalin en Hitler een pact sloten, schrijft Hubert Smeets. In Rusland staat het niet in een kwade reuk.

In Boedapest glanst de communistische ster ter ere van de „Sovjetbevrijders”, zoals het monument op het Vrijheidsplein het Rode Leger typeert. Verderop bij het parlement is het beeld van Nagy – de partijleider die Hongarije in 1956 wilde loswrikken uit het Sovjetblok en dat moest bekopen met de galg – juist onttakeld. Premier Orban die in 1989 eiste dat het Sovjetleger zich uit Hongarije zou terugtrekken – een eis die de communist Gorbatsjov inwilligde – heeft kennelijk geen boodschap meer aan de tragische held Nagy.

Dat gemoed heeft, behalve ideologische, historische wortels die precies tachtig jaar oud zijn: het ‘duivelspact’ dat Stalin en Hitler op 23 augustus 1939 sloten en een week later de Tweede Wereldoorlog ontketende.

Dit niet-aanvalsverdrag tussen Nazi-Duitsland en Sovjet-Unie bevatte een geheim protocol. Die paragraaf, in 1989 geopenbaard door (wederom) Gorbatsjov, gaf Hitler en Stalin de vrije hand in Polen, Finland, Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, West-Oekraïne en het huidige Moldavië. Berlijn bezette Polen, Moskou de andere staten.

De ‘bloedlanden’, zoals de strook vol dood en verderf tussen Oostzee en Zwarte Zee ook wel heet, waren zo de dupe.

Hongarije daarentegen profiteerde en kreeg er juist wat territorium bij. In de gebieden, die in 1939-1940 door Wehrmacht en het Rode Leger onder de voet werden gelopen (70 miljoen inwoners nu) heeft het pact logischerwijs een slechte naam. In Hongarije (10 miljoen) nauwelijks.

Ook in Rusland staat het pact niet in een kwade reuk. Sinds dinsdag wordt in Moskou het geheime protocol tentoongesteld. Bij de presentatie verdedigde minister Lavrov het. Het verdrag was onvermijdelijk omdat Engeland en Frankrijk geen aanstalten maakten tot een anti-Duitse alliantie. Gealarmeerd door het offeren van Tsjechoslowakije in München een jaar eerder, zat er niets anders op dan te pacteren met Hitler.

Stalin was daarover open, zeggend dat de Sovjet-Unie niet „de kastanjes uit het vuur zou halen voor de kapitalistische mogendheden”.

Deze voorstelling van zaken is in Lavrovs kringen gemeengoed. Zoals in Europa de appeasement van Chamberlain, beleid gericht op het vermijden van oorlog, symbool is van verraderlijke lafhartigheid, zo wordt het Molotov/Ribbentrop-pact in Rusland als een nuchter staaltje Realpolitik beoordeeld.

Dat is een denkbare interpretatie. Ware het niet dat Lavrov de wrok onder de slachtofferlanden ook dinsdag niet erkende en de expositie gebruikte om het duivelspact nadrukkelijk naar het heden te trekken.

Lavrov verweet de buurlanden, die ooit deel waren van het Sovjetkamp maar nu elke toegeeflijkheid van Europa rond Krim en Donbas vaak snel en demagogisch als variant op 1939 verfoeien, dat ze er op uit zijn om „Rusland als opvolgersstaat van de Sovjet-Unie zwart te maken”. Ze zouden de eigen „medeplichtigheid aan het Hitler-regime verdoezelen” en hun „onscrupuleuze oorlog tegen bevrijdingsmonumenten rechtvaardigen”.

Lavrov doelde met die laatste zin niet op Hongarije. De staat collaboreerde daar met de nazi’s, maar de ster is er keurig op zijn plek blijven staan. Hij had ’t over Oekraïne en Baltische landen, waar goed en fout in de oorlog nog complexer door elkaar heenlopen dan in Hongarije, maar wel standbeelden zijn gesneuveld.

Een oude historicus citerend, waarschuwde Lavrov voor de zekerheid ook nog dat de geschiedenis degenen „straft die geen lessen uit de geschiedenis willen trekken”. Dat was een onverholen boodschap aan de G7 die dit weekeinde in Biarritz beraadslaagt over de vraag of Rusland mag terugkeren in de club.

Waar het ‘duivelspact’ van tachtig jaar geleden al niet goed voor is.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.