Recensie

Recensie Boeken

De dichter is veel minder nobody dan hij beweert

Jan-Willem Anker De dichter is klaar met procreëren, dus wijdt hij zich volledig aan het scheppen van literatuur. Maar Anker had zichzelf en zijn positie nog wel iets steviger onder de loep mogen nemen.

Ik leef als nooit tevoren, schrijft Jan-Willem Anker (1978) aan het begin van Ware aard. Even juichend klinkt het elders: ‘Ik ontplooi mezelf. Wat een gezicht!’ In de ruim honderd pagina’s lange bundel presenteert de dichter de vruchten van die ontplooiing, want in zijn zelfstudie schuilt verlossing. De dichter is naar eigen zeggen klaar met procreëren, maar dat betekent niet dat hij in een midlifecrisis wegkwijnt. Integendeel, hij kan zich ten volle overgeven aan de literatuur, aan zijn Ware aard (dat werd aangekondigd onder de even potsierlijke, maar stukken betere titel Dichter na je veertigste).

Maar behalve dichter is hij een burger met zorgen over de klimaatcrisis: ‘Het nieuwe weer komt, wat het ook brengt / (extinctie).’ Veel valt aan deze onheilspellende toekomst niet te doen, behalve schrijven: ‘Gematigd revolutionair / monitor ik niet meer de schuldvraag van mijn voetafdruk / maar schrijf de aanvang uit van een onafwendbaar begin.’ Klimaatverandering werpt een grote schaduw over het geluk dat hij vond in Weesp. Hij vermaakt zich er in de marge en beschouwt zich als ‘een nobody in niemandsland’: ‘nog steeds oningeburgerd heb ik thuisbasis / in transit, halfslachtig nestel ik mij, semisedentair.’

Laat de hippe terminologie waarmee deze ‘softe patriarch uit overlegcultuur’ zich versiert je niet misleiden. Die lijkt hem – een ‘burger behoeftig aan modaal / basisinkomen, schrijverstoelage, met dirty-desk-policy’ – van groener gras te voorzien, maar is nog generieker dan de suburb waar hij zich vestigde. De taal benadrukt bovendien zijn geprivilegieerde positie, omdat hij zich erdoor niet écht bloot hoeft te geven. Ik leer de dichter er in ieder geval niet door kennen. Behalve de taal zorgt ook het decor voor een beperkt zelfonderzoek. Weesp en het Europa dat hij in reisverslagen bezingt, vernauwen het aanzienlijk. Die werelden zijn volledig op hem ingericht. Hij is er helemaal geen nobody: hij is het archetype.

Had Anker zich consequent onder de loep genomen, dan had hij zichzelf en zijn omstandigheden ontmanteld. Die kans laat hij liggen in Ware aard, al is hij zich wel degelijk bewust van zijn positie in de samenleving. Dat mondt echter veelvuldig uit in een hinderlijke ironische ondertoon, zoals in de metro in Boedapest waar hij betrapt wordt ‘op zwartrijden en de hoogte van de boete / me in de lach doet schieten. / Ik maak mezelf wijs dat alle Magyaarse vrouwen beschikken over / een forse en trots getoonde boezem.’ Op papadag verlangt de dichter (als beloning?) naar een ‘mama / in verjaardagslingerie’.

Volgens Anker kan poëzie uitkomst bieden, ‘slag om de toekomst’ leveren, door een taal los te kloppen ‘waarin je hoogstpersoonlijk / en alleen dit ene leven scheef zet’. Die visie deel ik. Anker kreeg dat voor elkaar in Beproevingen (2013). In die prozabundel (!) bewoog de dichter veel onbestemder tussen betrokkenheid en afstand, naaktheid en privacy: ‘Om te ontkomen aan de ruïne waarin ik mezelf gehuisvest had, ondernam ik / mijn zoveelste tocht.’

In Ware aard lukt dat niet. Maar dat is ingecalculeerd, want hij benadrukt in dezelfde poëticale regels dat het loskloppen van de taal en het scheef zetten van een leven tegen beter weten in gebeurt. Dat is me voor een dichter die zelfanalyse pretendeert iets te gemakkelijk. Bovenal is het zonde, want hij ondermijnt zijn project en maakt het onschadelijk. En dat terwijl Ware aard me wel tot denken aanzet: hoe verhoud je je anno 2019 vanuit een geprivilegieerde positie tot de wereld?