Bondscoach Josy Verdonkschot heeft bewezen succesvol te zijn. Hij heeft een contract voor onbepaalde tijd bij de roeibond.

Foto Merijn Soeters

‘Ik ben niet de coach met wie ze een kopje koffie of thee zullen drinken’

Roeicoach Josy Verdonkschot De WK roeien in Linz-Ottensheim zijn het eerste olympische kwalificatiemoment. Coach van de vrouwen Josy Verdonkschot volgt zijn eigen koers. Met succes. „Ik bepaal, want ik weet het beter.”

Hij was een menneke uit volkswijk De Kakert in het Limburgse Schaesberg, vertrouwd met het milieu van mijnwerkers en fabrieksarbeiders. Roeien was voor Josy Verdonkschot een ver-van-mijn-bed-show. Hij voetbalde bij RKVV Kakertse Boys, en best aardig ook. Maar Josy is Josy. Naast Limburger, eigenzinnig en vastberaden, is hij ondernemend en wars van conventies. Toen hij eenmaal in Amsterdam was, om taalwetenschappen te studeren, introduceerde een studiemaat hem bij roeivereniging Nereus. De sfeer was corporaal – wat Verdonkschot niet is. Maar roeien paste hem, net als coachen, bleek later.

Als bondscoach is hij inmiddels goed voor ruim twintig medailles bij WK’s en Olympische Spelen. Hij is een A-merk, benaderd door alle toplanden. Na zijn – omstreden – ontslag in 2006, en uitstapjes naar België en Italië, werd hij in 2013 door de Nederlandse bond gerehabiliteerd met een nieuwe aanstelling.

Wel een leermoment, dat ontslag, naar het schijnt omdat de roeibond hem offerde voor de rentree van René Mijnders, de man die de Holland Acht in 1996 in Atlanta naar olympisch goud coachte. Verdonkschot: „Mijn les: me nooit meer in een situatie manoeuvreren waarin afspraken teruggedraaid kunnen worden. Ik sta voor wat ik doe en doe waarvoor ik sta. Als dat niet voldoet, mogen ze me wegsturen. Achteraf had ik destijds zelf moet opstappen.”

Verdonkschot (62) spreekt op het bondsbureau langs de Bosbaan, nationaal epicentrum van de sport. Hij gaat geen onderwerp uit de weg. Soms met enige omhaal van woorden, soms kort en krachtig, maar hij geeft altijd zijn mening.

Na wat doorvragen over zijn drijfveer om vrouwencoach te worden, zegt hij dat hij een eenzijdig profiel als vrouwencoach niet op prijs stelt. Natuurlijk, Verdonkschot coacht sinds 1999 vrouwen, maar dat hadden evengoed mannen kunnen zijn; die trainde hij daarvoor. Een samenloop van omstandigheden bracht hem aan het hoofd van de vrouwenselectie. En die coacht hij met alle beroepseer die in hem schuilt, maar Verdonkschot is coach, geen vrouwencoach.

Geen compromissen

De vraag of Verdonkschot vrouwen begrijpt, vindt hij te simpel gesteld. „Ik ben slim, empathisch en zorgzaam, maar ik heb in mijn staf altijd mensen bij wie roeisters stoom kunnen afblazen. Ik ben niet de persoon met wie ze een kopje koffie of thee zullen drinken; ik ben niemands vriend, omdat ik coach én selecteur ben. Soms vinden roeisters me best aardig, soms haten ze me. Het zij zo, ik hoef hun vriend niet te zijn. Ik sluit geen compromissen, maar wil wel dat iedereen zich gehoord weet en veilig voelt.”

Zijn taak is roeisters te laten excelleren. En die kunst verstaat hij, leert de praktijk. Vrouwen zijn fysiek anders dan mannen en dat vergt technische aanpassingen, maar de common sense is presteren. Dat hockeycoach Marc Lammers een vrouwenploeg ooit vergeleek met een krabbenmand noemt Verdonkschot een stereotiep. „De roeisters prettig laten voelen in een competitieve omgeving, daarmee kun je de prestaties gunstig beïnvloeden en het verschil ten opzichte van de andere landen maken.”

Volgens die opvatting stond Verdonkschot bijvoorbeeld toe dat de partner van Olivia van Rooijen in de aanloop naar de WK het trainingskamp in Italië bezocht, normaliter een verboden zone voor geliefden. Hij is arts bij de Koninklijke Marine en ging voor langere tijd op reis. In zo’n geval toont Verdonkschot zijn empathie. Maar in zijn aanpak is hij rechtlijnig en strikt, zoals hij zelf zegt. „Roeisters zijn geen nummers, maar ik bepaal, want ik weet het beter. Ik ben niet de makkelijkste, maar ik voel me vrij in die zin, dat ik stuur. Zo lang ik de goede richting op stuur, hoef ik niet gecorrigeerd te worden. Vooralsnog is het de afgelopen jaren gegaan zoals ik het wilde. Dan neem ik voor lief dat mijn keuzes niet altijd geapprecieerd worden, omdat ze nu eenmaal niet democratisch tot stand komen. Zeker Nederlanders houden daar niet zo van.”

Horloge met inscriptie

Desondanks denkt Verdonkschot dat zijn werkwijze breed wordt gedragen. Omdat hij heeft bewezen succesvol te zijn en weinig verloop onder de roeisters heeft gekend. Hij steekt zijn arm uit en doet zijn horloge af. Met gepaste trots toont hij de inscriptie: ‘Liefs, je dames’. Zo’n dictator is hij ook weer niet, wil Verdonkschot er maar mee zeggen.

Het horloge heeft hij gekregen na de WK in 2017 in het Amerikaanse Sarasota. Het raakte hem diep. Dat horloge doet hij niet af, ook niet na twee noodzakelijke reparaties. „Die waarschijnlijk duurder waren dan de aanschaf”, zegt hij. „Het doet me vooral goed dat de roeisters weten dat ik het hart op de goede plek heb zitten.”

Lees ook: Zij bewijst dat het kan: een stuurvrouw op een mannenboot

Een van zijn grootste triomfen is het olympisch goud van de lichte dubbeltwee Marit van Eupen en Kirsten van der Kolk bij de Spelen van 2008 in Beijing. Verdonkschot was hun privécoach en kon het project buiten de bond om bekostigen dankzij rechtstreekse financiële steun van chef de mission Charles van Commenée, destijds technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF.

De uniciteit van die medaille school in de grote karakterologische verschillen tussen beide roeisters. Maar dat de boot een oorlogszone was, bestrijdt Verdonkschot, die na ‘Beijing’ in het huwelijk trad met Van Eupen, indertijd zijn vriendin. Verdonkschot: „Nuanceringen gaan verloren door de historie, want Marit en Kirsten konden op een aantal vlakken goed samenwerken. Maar ze hadden vooral vertrouwen in elkaars kunde.”

Zijn ervaring met Van Eupen en Van der Kolk heeft hem rijper gemaakt als coach, vindt Verdonkschot. Hij weet nu dat je bij karakterbotsingen geen compromissen moet sluiten. In zijn woorden: de situatie niet grijs maken. „Bij zaken die er niet toe doen – zoals gaan we wel of niet winkelen? – ieder z’n gang laten gaan. Maar voor traininggerelateerde zaken heel heldere afspraken maken. In die zin ben ik antipolderen.”

Verdonkschot wordt over een jaar, bij beëindiging van de olympische cyclus, 63 jaar. Tijd om te stoppen? Dat woord wil hij nog niet uitgesproken hebben. „Zolang ik kwaliteit kan bieden en de bond mij denkt nodig te hebben, ben ik geprivilegieerd te blijven. Maar ik zal er wel over nadenken. Heb ik nog de energie, het vuur dat noodzakelijk is? Zo niet, dan moet ik opzouten. Maar ik kan wel zeggen: ‘Tokio’ beschouw ik niet als mijn eindpunt.”

Verdonkschot heeft een contract voor onbepaalde tijd, dus blijft hij in dienst van de roeibond. In welke rol wordt na de Spelen bepaald. Het buitenland is voor hem passé. Omdat hij alles al heeft gezien en het geld niet leidend was – „als ik mijn pensioen had willen binnenharken, had ik tien jaar eerder moeten beginnen” – maar om de simpele reden, dat hij een zoon van negen heeft. En die wil hij in Nederland groot zien worden.