Recensie

Recensie

De totale ontwrichting van de woningmarkt

Wonen Wonen is een van onze belangrijkste basisbehoeften. Maar hoe wonen we en hoe willen we wonen in een tijd waarin de woningnood steeds groter wordt? Twee boeken laten zien dat die nieuwe woningnood onze vrijheid aantast.

Foto: David Galjaard

Herhaaldelijk verwacht je bij het lezen van Thuis dat nu dan eindelijk het zinnetje komt waar deze ‘filosofische verkenningen van het alledaagse’ op uit moeten lopen: ‘wonen is gewoon’. Uiteraard gevolgd door een Heideggeriaanse beschouwing over de verwantschap van beide woorden, waarin het hele werkwoord ‘wonen’ via de stam ‘woon’ na toevoeging van het voorvoegsel ‘ge-’ eindigt als ‘gewoon’. Maar hoewel de duistere Duitse filosoof Martin Heideigger, die al voor Bauen, Denken und Wohnen uit 1951 diep had nagedacht over wonen, een van de vele denkers en dichters is die uitgebreid worden aangehaald in Thuis, heeft filosoof Pieter Hoexum (1968) het zinnetje niet uit zijn tekstverwerker gekregen. Wel scheert hij er enkele malen langs. Zo is het uitgangspunt van ‘de zoektocht naar het antwoord op de vraag: wat is thuis?’, zoals Hoexum zelf zijn verkenningen omschrijft, een opmerking uit Filosofische onderzoekingen van Ludwig Wittgenstein, de Oostenrijkse filosoof die bijna een eeuw geleden een radicaal kaal en buitengewoon ongezellig huis voor zijn zus in Wenen ontwierp: ‘De aspecten van de dingen die voor ons het meest belangrijk zijn blijven ons door hun eenvoud en alledaagsheid verborgen. (Je merkt het niet op, – omdat je het altijd voor ogen hebt.)’

Thuis is een vervolg op Kleine filosofie van het rijtjeshuis uit 2014, waarin Hoexum, zelf bewoner van een rijtjeshuis in Purmerend, een mooie lofzang hield op het gewoonste maar veel gesmade huizentype, waarin zes op de tien Nederlanders wonen. Voor zijn ‘filosofische verkenningen van het alledaagse’ verbleef Hoexum in de jaren 2015-2018 vier keer als writer in residence één maand in het huis van de dichter Adriaan Roland Holst (1888-1976) in het Noord-Hollandse Bergen.

Fascistisch dak

Een van de eerste dingen die hem opvielen aan de kleine villa die Roland Holst in 1918 had laten bouwen, was het opvallend hoge, geknikte rieten dak dat ook de eerste verdieping omhult, zo begint hij zijn zoektocht naar thuis. Al op zijn tweede dag in Bergen, als hij in de erker van het huis zit te lezen en het smeltwater van de dooiende sneeuw ziet druppelen, besluit hij het dak beter te bekijken. ‘Mijn tweede huid’, noemde Roland Holst zijn huis, maar Hoexum vindt het eerder een vacht die hij zou willen aaien. ‘Het dak is geen theemuts, geen helm, geen klokhoedje, maar een bontmuts’, schrijft hij.

Als liefhebber van Mondriaan en modernistische architectuur had Hoexum nooit echt nagedacht over het dak, bekent hij vervolgens. Voor modernisten was het platte dak tenslotte het enige juiste dak. ‘Een plat dak was goed en een schuin dak fout, en fout betekent ook echt fout…. eigenlijk werd een schuin dak als fascistisch beschouwd’, zo beschrijft hij het debat over het dak tussen traditionalistische en modernistische architecten dat in het interbellum hoog opliep. Lange tijd was hij bereid om de modernisten hun ‘wonderlijke dogmatisme’ te vergeven. Maar het Roland Holsthuis doet hem inzien dat ze ‘gewoon ongelijk’ hadden: ‘Een plat dak is eigenlijk geen dak, het is het elimineren van het dak, of in elk geval onzichtbaar maken. En dat terwijl een dak zo belangrijk is. Een thuisloze wordt niet voor niets ook wel een dakloze genoemd – omgekeerd kun je zeggen dat een “dakloze”, een bewoner van een huis zonder expliciet dak, een thuisloze is.’

De Japanse Marie Kondo wil dat we opgeruimd leven. In eigen land is ze minder populair dan je zou verwachten.Lees ook: Wonen volgens Marie Kondo

Na het dak neemt Hoexum op prettig mijmerende wijze niet alleen de trap, de deuren, de eethoek en andere onderdelen van het Roland Holsthuis onder de loep, maar ook de activiteiten in en rondom het huis. Vaak leiden die tot onverwachte én herkenbare inzichten in wonen. Zo stelt hij in het hoofdstuk over ‘opruimen’ vast dat dit, anders dan opruimgoeroe Marie Kondo propageert, niet het weggooien of afdanken van spullen is, maar het verplaatsen, herschikken en ordenen. Een huis is een rariteitenkabinet met spullen, die alleen voor de bewoner waarde hebben, en ‘thuis’ is de schikking van al die spullen. ‘Je bent je zooi’, schrijft Hoexum. Maar de schikking van je zooi is niet tijdloos, en een belangrijk onderdeel van wonen is het ‘in beweging houden van je spullen’.

Mens is kokend dier

Ook treffend zijn de observaties over de keuken. Anders dan modernistische architecten meenden, is een keuken niet een functionalistisch laboratorium, vindt hij, maar de plek waar de voornaamste huishoudelijke taak plaats vindt: koken. ‘In de keuken worden we menselijk. De mens is het kokende dier’, schrijft hij: ‘Het kookgerei moet ons niet bevrijden van het koken – alsof we vrijaf zouden willen nemen van ons mens-zijn – maar moet dat koken mogelijk, makkelijker en plezieriger maken.’ Dit verklaart de opkomst van de open keuken en de woonkeuken in de Nederlandse woningbouw. ‘Eindelijk kon het huishouden draaien waar het om hoort te draaien: koken en eten. Hoe meer tijd en aandacht je daaraan besteedt, hoe beter het is.’

Uiteindelijk valt Hoexum toch terug op Heidegger als hij de essentie van thuis wil formuleren. Een huis is nog geen thuis, stelt hij vast, een huis is een ding dat in Heideggeriaanse termen hoogstens ‘voorhanden’ is terwijl een ‘thuis een (werk)tuig is dat voor jou, bewoner, klaarstaat, om door jou ter hand te worden genomen. Thuiskomen is terugkeren naar een omgeving die je zo vertrouwd is dat je er werktuigelijk kan handelen, kan wonen oftewel: leven.’

Voor haar vrienden en familie is een eigen woning te duur geworden.

Heidegger mocht dan graag wijzen op de grondbetekenissen van wohnen, de Engelse taal heeft boven het Duits als groot voordeel dat het woord living ook wonen betekent, schrijft Hoexum. Maar living in een eigen woning blijkt voor steeds minder Britten weggelegd, zo maakt de Britse schrijfster Catrina Davies (1979) duidelijk in het begin van Homesick. Why I Live in a Shed. Niet alleen voor Davies zelf, die eerder over haar reis in een bestelbus door Europa The Ribbons of Fearlessness schreef, maar ook voor veel van haar vrienden en kennissen is een eigen woning te duur geworden. Zelfs voor haar oude moeder wordt wonen problematisch: die maakt zich dagelijks zorgen over een mogelijke uitzetting uit haar flatje omdat ze de steeds hogere huur niet kan betalen.

Illegale bewoning

Homesick is grotendeels een dagboekachtig verslag in korte, staccato-zinnen van de bewoning van de schuur waarin Catrina Davies sinds acht jaar woont. Daarvoor huurde ze voor 400 pond per maand het rommelhok van een appartement in Bristol dat werd bewoond door vier volwassenen en een kind. Op een dag kreeg ze zo genoeg van de ruzies, het gedoe en het gebrek aan privacy die het samenleven met zijn vijven in een kleine woning met zich meebrengt, dat ze besloot onmiddellijk te vertrekken naar de leegstaande, vervallen schuur in Land’s End die ze nog kende uit haar jeugd in Cornwall.

Het aantal mensen dat voor het eerst een huis koopt, blijft maar dalen. Waardoor komt dat? Lees ook: Hoe komt het dat de problemen voor starters zo groot geworden zijn?

Wonen in een bouwval zonder elektriciteit, kachel, keuken en warm water blijkt minder idyllisch dan het twee jaar lange verblijf in een hut in een bos dat de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau beschreef in Walden, het boek uit 1854 dat als rode draad van Homesick dient. Davies krijgt te maken met allerlei tegenslagen, zoals een dreigende uitzetting wegens illegale bewoning, een inbraak en een uit de bocht vliegende bestelbus die de schuur ramt en bijna doet instorten. Toch weet ze uiteindelijk van haar schuur een thuis te maken te maken, met een tuin waar ze groente kweekt. Eindelijk heeft ze het thuis waar ze naar verlangde in haar rommelhok in Bristol, zo stelt ze bijna aan het einde van Homesick vast: een plek waar alles zo vertrouwd is dat ze er niet alleen tot rust komt maar zich ook vrij voelt. ‘Geen huis staat gelijk aan geen vrijheid’, schrijft ze, ‘we hebben wortels nodig voordat we vleugels kunnen krijgen’.

Woningnood

Eind goed, al goed, zo lijkt het. Maar op de vaststelling dat het wonen in een schuur ten slotte een einde heeft gemaakt aan de ‘kalme wanhoop’ waaraan ze jarenlang ten prooi was, laat Davies nog een felle aanklacht tegen de huisvestingscrisis in Groot-Brittannië volgen. Die vindt haar oorsprong in het neoliberale huisvestingsbeleid dat de conservatieve regering onder leiding van premier Margaret Thatcher in 1980 begon met onder meer de grootschalige verkoop van sociale-huurwoningen. Marktwerking heeft gezorgd voor een totale ontwrichting van de woningmarkt, stelt Davies veertig jaar later vast. Alleen al de afgelopen twintig jaar is de gemiddelde huizenprijs zeven keer zo snel gestegen als de Britse lonen. Als de prijs van een kip net zo snel was gestegen als de huizenprijs, zou een kip nu 51 pond kosten en in Londen zelfs 100 pond, heeft ze berekend.

Zo kent Groot-Brittannië nu weer een ernstige woningnood. Het land telt zo’n 300.000 daklozen en een woning is ook buiten Londen voor de gemiddelde millennial nu onbetaalbaar, zodat veel jonge Britten bij hun ouders moeten blijven wonen of, net als Davies in Bristol, een woning moeten delen. De woningnood treft niet alleen de vele honderdduizenden die te weinig inkomsten hebben om een woning te huren of te kopen, legt Davies uit. Ook middenklassers lijden er vaak onder doordat ze een torenhoge hypotheek als een molensteen om hun nek hebben hangen die hen in voortdurende angst laat leven voor economische tegenspoed. Zelfs de rijken worden getroffen door de huisvestingscrisis: om geen last te hebben van daklozen en de kalme wanhopigen sluiten ze zich steeds vaker op in gated communities die nog het meest lijken op luxe gevangenissen. Zo eindigt Homesick toch uiterst somber: de nieuwe woningnood tast de vrijheid van iedereen aan.