Recensie

Recensie Boeken

Was de vader van Nico Dijkshoorn wel echt zo’n klootzak?

Nico Dijkshoorn Stoer proza schrijft Dijkshoorn, maar gelieve even oog te hebben voor wat zich nog meer afspeelt in zijn tweede boek over zijn vader: de confrontatie tussen de publieke-Nico en privé-Nico.

Nooit ziek geweest (2012) was Nico Dijkshoorns rijkelijk laat uitgevoerde vadermoord; toen het boek verscheen bonsde vader Klaas – een meer in honkbal dan in zijn kinderen geïnteresseerde allemansvriend – al voorzichtig op de hemelpoort. Voor rouwen gunde Dijkshoorn zichzelf destijds geen ruimte. In Ooit gelukkig, een berouwvol boek, staat het er zo: ‘Marlon, Bob en Tanja lopen langs de kist. Ik volg met mijn moeder. Daarna lopen we naar de grote Klaas Dijkshoorn-reünie. Ik moet eerder weg. ’s Avonds lees ik in Beverwijk voor uit mijn roman Nooit ziek geweest, volgens velen een genadeloze afrekening met mijn vader. Het boek van een janker. Deze middag heb ik in elk geval geen traan gelaten.’

Stoer proza, stoere taal, maar gelieve vooral even oog te hebben voor wat zich nog meer in deze alinea afspeelt, want het is de sleutel tot het verreweg interessantste aspect van het boek, namelijk de opdeling van Nico Dijkshoorn in een privé-Nico (de zoon en broer van) en een publieke-Nico, die boeken en columns vol pent en wekelijks vanachter een waxinelichtje hyperbolische gedichtjes voorleest op tv.

Dijkshoorn (1960) bestaat nog niet zo heel lang uit die twee entiteiten. Hij herinnert ons er in het boek fijntjes aan dat hij krap twintig jaar van zijn werkende leven medewerker van de bibliotheek in Amstelveen was. Buiten zijn familie en vrienden om wist niemand wie hij was. In die fase opende hij de aanval op Klaas nog niet. Dat gebeurde pas toen hij enige bekendheid had vergaard en hij, als schrijver en redenaar, zijn dolk kon steken. In feite anoniem, met Klaas ver weg.

Verzwakte gezondheid

Het berouw van Ooit gelukkig is enerzijds opgetrokken uit een eendimensionale, tamelijk sentimentele schaamte: moest de dolk er in 2012 nou echt zo diep in? Wás Klaas wel alleen een klootzak? Maar het is iets anders dat dit boek zijn diepte geeft: de confrontatie tussen publieke-Nico en privé-Nico. Het is dan ook zeer toepasselijk dat Dijkshoorn op een podium, terwijl hij zijn act uitvoert, met een verzwakte gezondheid in elkaar zakt. Dijkshoorn presenteert in dit boek de artiest, de artiest in hemzelf, als een wezen dat ergens met een elastiek aan vastzit. Er zit rek in, het verleent vrijheid, maar het elastiek is uiteindelijk sterker en trekt de artiest terug naar waar het begon.

In dit geval is dat het absolute startpunt. Als Dijkshoorn en zijn broers de as van hun ouders willen verstrooien in een bos en ze zich afvragen waarom dat toch in dit bos moest gebeuren, in het Spanderswoud dat nog best ver af ligt van waar hun ouders woonden, valt het kwartje. ‘Ik schrik. Hij was hier waarschijnlijk zelf, als jongetje. In een bos zonder snor. [...] Klaas had ook een vader. En die had ook weer een vader. En die gingen naar het Spanderswoud omdat hun vader daarnaartoe ging. In deze boom hebben minstens zeven Dijkshoorns heel trots vanaf de eerste tak naar hun kinderen of hun kleinkinderen gekeken. En hun vrouw, die moest mee.’ Een bos, een tak. Maar in wezen wordt hier de vraag opgeworpen of er achter het scherpe schrijven van zeven jaar geleden wel zo’n scherp oog zat.