Rudi Lubbers

Foto Frank Ruiter

Oud-bokskampioen Rudi Lubbers: ‘Wat mij is overkomen, kan iedereen overkomen’

Interview Begin dit jaar was bij Andere Tijden Sport te zien dat oud-bokskampioen Rudi Lubbers (74) aan lager wal was geraakt. Zijn vrouw en hij woonden in een busje in Bulgarije, zonder gas, water en licht. „Ik sluit niet uit dat mijn goedheid mij soms in de problemen heeft gebracht.”

‘Hé meissie, kom binnen! Gezellig dat je er bent.”

Een ontmoeting met oud-bokser Rudi Lubbers voelt als een ontmoeting met een oude bekende. Hij heeft de deur van zijn flat in een Amsterdams zorgcentrum nog niet geopend, of hij wijst naar het plakboek op tafel. „Mijn zuster was vroeger geabonneerd op de knipseldienst en bewaarde artikelen over mij. Weet je dat ik naar de Olympische Spelen van Tokio ben geweest, in 1964? Ik bokste een wereldpartij tegen een Italiaan. Het werd 2-2, dus onbeslist. Het vijfde jurylid was een Italiaan, en die …”

Een gesprek met Lubbers vergt alertheid, het gaat alle kanten uit. Net als een bokswedstrijd. Hij kan verrassend uit de hoek komen, is soms afwachtend.

Zeven maanden geleden wijdde Andere Tijden Sport een aflevering aan hem. De programmamakers vonden de 74-jarige Lubbers in Bulgarije met zijn partner Ria en twintig zwerfhonden. Ze woonden in een oud Volkswagenbusje zonder elektriciteit en sanitaire voorzieningen. Er werden beelden getoond van Lubbers die zijn tanden poetste bij een meertje. Hij struikelde nog net niet over zijn schoenzolen.

De uitzending, die bijna driekwart miljoen kijkers trok, was het gesprek van de dag. Hoe kon het dat Lubbers, de enige Nederlander die het tegen boksgrootheid Muhammad Ali opnam, zo aan zijn lot werd overgelaten?

Rudi en Ria – vooral zij – waren er fysiek slecht aan toe. Familie en bekenden transporteerden het stel naar Nederland. Er werd een crowdfundingsactie op touw gezet door oud-wielrenner Rini Wagtmans. Van de halve ton die werd opgehaald wordt elke maand een klein deel aan Lubbers uitgekeerd, die verder alleen AOW krijgt. Een tandarts knapt gratis zijn gehavende gebit op („nog even en ik heb Hollywood-tanden”) én er is een biografie in de maak.

Het waren turbulente maanden in een toch al stormachtig leven. Zoon Marco beschermde hem tegen opdringerige journalisten. Tot twee weken geleden leefde Lubbers bij hem in huis. Nu moet hij op eigen benen staan, in het zorgcentrum aan de rand van de stad, met uitzicht op een binnentuin met terras.

Hoe voelt het om een eigen woning te hebben?

„Vind je het gek als ik zeg dat ik heimwee naar Bulgarije heb? De vrijheid, de natuur, het gebrek aan regels … Maar goed, ik moet toch ergens slapen, en dan is een flatje met bank, bed, tafel en tv zo gek nog niet. Maar als je me vraagt of ik gelukkig word van al die spullen? Nee. Het doet me niets.”

Hij vertelt dat hij door het boksen in luxe oorden heeft vertoefd. Toen hij in Indonesië tegen Ali uitkwam, in 1973, kreeg hij een presidentiële suite met beveiliging in een vijfsterrenhotel. In Moskou bokste hij tegen een boomlange vent, type generaal. De door Lubbers gewonnen wedstrijd werd op de Russische tv uitgezonden, dus toen hij na afloop naar het beroemde hotel Intercontinental liep, werd hij aangeklampt door een taxi-chauffeur. „Hij wilde me de volgende ochtend Moskou laten zien in een open wagen. Het was die dag 31 graden onder nul, mijn oren vroren er bijna vanaf.”

Marco vertelde dat Ria met Alzheimer in een verpleeghuis woont op een gesloten afdeling. Hoe is dat voor u?

Zijn gezicht betrekt. „Ik mis mijn vrouwtje. Ze zit daar maar te wachten tot ik langskom. Tussen mensen die halfdood in hun stoel hangen, geestelijk gezien. ‘Wat heb ik misdaan’, vraagt ze huilend als ik wegga. ‘Ik wil hier weg. Laten we naar de kermis gaan.’”

Jullie ouders waren kermisexploitanten. Hebben jullie elkaar zo ontmoet?

Hij knikt. „Ik was zestien toen wij elkaar voor het eerst kusten. Vluchtig, hoor, geen tong. Veertig jaar lang waren we op elkaar aangewezen, als broer en zus. Ik bezoek Rietje elke dag in het verpleeghuis. Laatst kreeg ik bonje met het personeel omdat ik mij niet aan de bezoektijden houd.”

Jullie konden ook behoorlijk ruzie maken, blijkt uit de documentaire Ruud en Ria uit 2002. De voorwerpen vlogen soms door de kamer.

„Ik ontken niet dat we problemen hadden. Maar waar andere stellen ruziën omdat een van de twee vreemdgaat, ruzieden wij over zoek geraakte voorwerpen. Autosleutels, paspoorten … Rietje raakte van alles kwijt. Dan had ze spullen op de spiegel gelegd en waren ze erachter gevallen. Eén keer vond ik een envelop met geld in de prullenbak. ‘Rie, kijk!’, riep ik. Maar zij wist niet waar ik het over had.”

Waren het voortekenen van haar ziekte?

„Misschien. Een paar jaar geleden reden we van Bulgarije naar Nederland om de Kerstdagen met Marco door te brengen. Ik reed in ons busje, zij in de tweedehands Toyota die we net hadden gekocht. In Oostenrijk was ik haar ineens kwijt. Bleek ze de verkeerde afslag te hebben genomen en in verwarde toestand te zijn opgenomen. Dat hoorde ik pas toen ik in Nederland aankwam. Ik dacht dat ze me voorbij was gereden.”

Hij vertelt over het katholieke gezin waarin hij opgroeide: vader, moeder en acht kinderen – hij was de vierde. Toen zijn vader als metaalbewerker op een scheepswerf ontslagen werd, bouwde hij een schiettent voor de kermis. „We woonden met z’n tienen in een wagen van zeven bij drie. De kinderen sliepen in twee vrachtwagens: een voor de meisjes en een voor de jongens. We hadden het niet breed, maar de liefde van mijn ouders maakte veel goed. Ik maakte mijn huiswerk op een bankje en ’s avonds dronken we thee tijdens het klaverjassen.”

Hij was nog geen dertig toen zijn vader in zijn armen overleed. Tijdens het kaarten liep Frans Lubbers naar buiten om te plassen en toen hij terugkwam viel hij voorover. Rudi probeerde hem te reanimeren, maar het mocht niet baten. Volgens de arts ging het om een acute hartaanval.

Omdat Lubbers goed kon leren, werd hij op zijn tiende naar een kostgezin gestuurd. Terwijl zijn broers en zussen met zijn ouders Nederland doorkruisten, hing hij rond met langharige ‘pleiners’ in Amsterdam en haalde hij zijn hbs-diploma.

Hoe kwam u ertoe te gaan boksen?

„Ik was net zestien, het nieuwe schooljaar stond voor de deur. Uit verveling – ik had nog vrij – ben ik naar de boksschool van ‘ome Nelis’ in de Korte Leidsedwarsstraat gegaan. Op een maandag begon ik met trainen, een week later bokste ik mijn eerste wedstrijd. De zaal zat vol kermislui, ik behaalde een glorieuze overwinning.”

Nog geen twee jaar later bokste u op de Olympische Spelen in Tokio.

Hij lacht. „Kort daarvoor was ik Nederlands kampioen geworden. Van de 37 wedstrijden had ik er 35 gewonnen. Maar dat ik zó snel naar de Spelen mocht, had ik zelf ook niet verwacht. En weet je wat het mooie is? De boksbond gaat proberen mij volgend jaar weer naar de Spelen in Tokio te sturen, als gast. Binnenkort heb ik een ontmoeting met de olympische boksers in sportcentrum Papendal.”

Rudi Lubbers tijdens eens training in het Olympisch Dorp, 1964 Tokio. Foto Dick Coersen

Uw wedstrijd tegen Ali wordt als uw meest memorabele beschouwd. Voelt u dat zelf ook zo?

„Door de manier waarop Ali mij behandelde – met respect – werd die wedstrijd een persoonlijk hoogtepunt. De dag ervoor gaven we samen een persconferentie. Er zaten wel honderd journalisten en fotografen in de zaal. Ali beschreef wat hij ‘bam, bam, bam’ met mij zou gaan doen. Tot iemand vroeg wat ik ervan vond. Ik stond op, keek hem aan en zei in vloeiend Engels: ‘Je kunt goed boksen en babbelen, hoor, maar vergeet één ding niet: de wedstrijd moet nog beginnen.’ Ali keek mij aan, half beduusd, half lachend. Ik denk dat ik toen zijn hart heb gestolen.”

Lubbers bleef twaalf ronden overeind tegen Ali, maar verloor op punten. Soms kijkt hij de partij met vrienden terug, en verbaast hij zich over zijn passieve houding. „Ik heb nooit gedacht: ik ga die man een pak slaag geven. Ik dacht alleen maar: bescherm jezelf. Gek hè?”

Als kleine, niet al te sterke bokser heeft hij het altijd moeten hebben van zijn snelheid, zegt Lubbers. Tjoek, tjoek, pang – hij gaat staan om het voor te doen. Met gestrekte arm en dan verrassen. „Zo heb ik Ali één of twee keer geraakt. Misschien niet honderd procent goed, maar goed genoeg om hem lichte schrik aan te jagen. Eén keer zag ik hem denken: oppassen nu, dit gaat nog zeer doen.”

Na de wedstrijd heeft hij Ali nog een paar keer ontmoet. Bij ieder weerzien sloot The Greatest hem in de armen, zegt Lubbers. „Rudi, Rudi, weet je nog?”

Rudi Lubbers krijgt een rechtse hoek van Mohammed Ali, Jakarta 1973. Foto ANP

Hoe zou u Ali typeren?

„Ali was een getergde man. Hij raakte zijn wereldtitel en bokslicentie kwijt omdat hij weigerde als dienstplichtig soldaat naar Vietnam te gaan. Als kleurling had hij erg te lijden onder racisme. Hij kon niet goed tegen onrecht.”

Spraken jullie daar weleens over?

Hij knikt. „Zoals Ali werd buitengesloten als kleurling, werd ik aangegaapt tijdens het speelkwartier als kermisjongen. Dat bindt. Toen hij in 1976 in Nederland was om zijn boek The Greatest te promoten, ben ik samen met hem naar Volendam gegaan. We liepen over de dijk en belandden in een café waar ik als kind vaker met mijn ouders heb gekaart. Ik opende de deur en riep dat ik een vriend had meegenomen. Iedereen lachen natuurlijk.”

Door die wedstrijd tegen Ali werd u in één klap beroemd. Heeft dat u veranderd?

„Ik ben geen praatjesmaker. Of het nou om een geblesseerde duif of een zwerver gaat, ik probeer levende wezens altijd te helpen. Mensen zíen dat, en het zou goed kunnen dat die uitzending van Andere Tijden daarom zo veel heeft losgemaakt. Wat mij is overkomen, kan iedereen overkomen.”

Lubbers doelt niet alleen op zijn zwerversbestaan met Ria in Bulgarije, maar ook op de zes jaar en negen maanden dat hij – naar eigen zeggen onschuldig – gevangen zat. Die dag in 1986 dat hij in Portugal werd opgepakt, had een onbekend Nederlands stel hem een kop koffie aangeboden op een terras. In het busje van het stel trof de politie ’s avonds 350 kilo hasj aan. Ook Lubbers werd van zijn bed gelicht, „hardhandig verhoord”, en voorgeleid.

Van zijn zoon Marco mag hij er niet te veel over praten, zegt Lubbers, want „waar rook is, is vuur”. Maar hij heeft nog steeds last van de foutieve berichtgeving op internet, en als het niet zo veel juridische rompslomp zou geven, zou hij een schadeclaim indienen bij de Staat der Nederlanden, die „geen poot uitstak”.

Afgaand op de bedragen die onschuldig veroordeelden in Amerika krijgen, lijkt 54 miljoen euro hem een billijk bedrag voor de imago-schade en de verloren jaren met zijn gezin. Lubbers had tijdens zijn aanhouding twee opgroeiende kinderen en scheidde later van de vrouw met wie hij vóór Ria getrouwd was.

Het Nederlands Boksteam in 1964 met Japanse supporters. Vlnr de boksers Rudi Lubbers, Willem Gerlach, Jan de Rooij (trainer), Louis van Straten en Jan Huppen. Foto ANP

Zou het kunnen dat u het slachtoffer bent geworden van uw goedgelovigheid?

Hij zwijgt even en wrijft over zijn achterhoofd. „Laatst zag ik op het marktplein een duif op één poot lopen. Zijn andere poot zat in de knoop, dus ik heb hem met brood proberen te lokken. Ik kon hem niet echt helpen, maar toen hij weghinkte, was ik best een beetje trots. Eerlijkheid en genegenheid zijn voor mij heel belangrijk. Ik sluit niet uit dat mijn goedheid mij soms in de problemen heeft gebracht, maar het is een eigenschap die ik nooit wil verliezen.”

Na drie uur praten is de rek er een beetje uit. Lubbers staat op om zijn gast een jenever in te schenken. En als hij straks alleen is, gaat hij kijken hoe het staat met de rest van de bejaarden. Het is geen gelukkig leven, zegt hij, maar het is wel een leven.