Recensie

Recensie Boeken

Onverhoedse zaadlozingen die voor meer staan

Kees ’t Hart Wat vooral bijblijft van De ziekte van Weimar is een prikkelende ideeënroman, geplaatst in de Verlichting, over cultuur versus natuur en de rol van ambities daarin.

Illustratie Paul van der Steen

Soms heb je het gevoel jezelf tegen te komen in kunst – je wordt gehoord, gezien, er wordt iets verwoord of verbeeld dat uit jóú lijkt te komen. De kunstenaar wordt ziener, het werk toont dat de kunstenaar iets wéét, iets dieps, iets waars. Dat gevoel veroorzaakt een roes.

Dat gebeurt Albert van Huszen, een nette klerk en begenadigd schaker uit Franeker aan het begin van de negentiende eeuw. ‘Hij las het gedicht hardop voor, gesuis in zijn oren, het geluid van duizenden wespenvleugels’, dankzij de woorden van Goethe, te weten: ‘Kaum warst du aufgebunden/ War alle Lust verschwunden’. Die gaan over hém. Over zijn probleem, dat eerst nog eufemistisch ‘voortijdige vochtlozing’ genoemd wordt, later klinisch ‘ejaculatio praecox’, en bij uitzondering beschaamd-lollig ‘prematuur geschutsvuur’. Die conditie beïnvloedt zijn gemoed nogal – en hij was toch al een melancholicus, in de betekenis van de in zijn tijd nog heersende humorenleer. Zwartgallig, introvert, neerslachtig.

Maar de razend belangrijke Goethe moet met die weggevloeide lust toch wel aan dat vochtprobleem refereren. De grote schrijver zág hem, dus weet misschien hoe Albert zijn vocht kan binnenhouden, hoe lichaam en geest weer met elkaar in overeenstemming kunnen komen.

Hoger honing

Zulke hoop op hoger honing tekent de hoofdpersonen van Kees ’t Hart (1944), van wie Albert van Huszen ook weer een typisch exemplaar is: alledaags knullig, en een dromer in het diepst van zijn gedachten. Een ambitieus verlangen is in de romans van ’t Hart steeds de stookolie van het verhaal: Teatro Olimpico (2014) ging over twee mannen die zich lieten verleiden een Italiaanse theaterproductie op poten te zetten, zijn vorige Wederzijds (2017) ging over een organisatie die met schijnbaar onschuldige wraaknemingen burgerschap erin hamerde – grootse hoop die vervliegt.

Lees ook het interview met Kees ’t Hart uit 2014: ‘Deze roman is een soort clownsnummer’

Zulke ambitie duikt ook op wanneer een commissie van wijze mannen aan de Friese Academie in de vroege zomer van 1807 vergadert over een op te richten monument in het universiteitsstadje. Het ontwerp is niet eens zo indrukwekkend, zou je zeggen: een kubus met een bol erop. De herkomst wél: het is een uitvergrote replica van ‘Stein des guten Glücks’, een beeld dat de grote Goethe heeft gemaakt! En zie de eenvoudige schoonheid: ‘Een beeld dat losstaat van menselijk handelen en nuttigheid’, zegt astronoom Eise Eisinga, die als commissielid een cameo maakt. ‘Het is onverzettelijk en tegelijk van een grote antieke schoonheid’, had jonkheer Geerts, de man achter het plan, al gegalmd. Van Huszen, die aanzit bij de commissie, ziet erin ‘das Ding an sich’ verbeeld.

Dat monument bepaalt grofweg de verhaallijn van De ziekte van Weimar. De eerste helft leidt naar het besluit over het beeld en in de tweede helft wordt Albert uitgevaardigd naar het Duitse stadje Weimar, om Goethe om zijn zegen te vragen.

Luchtkasteel

Een bééld van das Ding an sich, het kantiaanse concept dat juist het onwaarneembare maar wezenlijke vertegenwoordigt – dat is allereerst een uitstekende grap van ’t Hart, maar wijst bovendien het betekenisvolste thema van zijn twaalfde roman aan. Je zou ook kunnen zeggen: in het oeuvre van ’t Hart. Zijn ambitieuze strevers bouwen luchtkastelen. Hoe kan het ook anders: wat we zien is onherroepelijk gekleurd door de handeling van het waarnemen, en zo ontglipt ons de werkelijkheid, het Ding an sich dus. Wat een dromer ziet, is dan al helemáál van de pot gerukt. En als iemand zich herkend weet in een kunstwerk en idolaat raakt van de schepper, dan moet je diegene ernstig wantrouwen.

Lees ook de recensie van Vergelding, de vorige roman van Kees van ’t Hart: De anonieme vergelding van een nette heer

Dat ’t Hart dit verhaal, niet geheel gefictionaliseerd, plaatst in de tijd van de kersverse Verlichting én het nieuw opgerichte koninkrijk Holland, onderstreept de tragische ironie – precies wat je hoopt dat zo’n historisch decor doet. De personages hebben evenveel moeite om te zien wie ouderwets republikein is en wie bijdetijds Napoleon-aanhanger, als om de ratio te omarmen, zie het secuur doorgevoerde irrationele motief van vocht en sappen(leer). We leven zo goed als mee met Albert: ’t Hart schrijft in de derde persoon, maar via veel indirecte rede komen we te weten wat er in de 18de-eeuwer omgaat. We kunnen mee in zijn gedachten en redeneringen, die mal zijn maar een logica bezitten – een beetje zoals Arnon Grunberg dat ook goed kan. De snelle zaadlozingen staan daarbij voor meer: voor de controle die men in deze Verlichtingstijd nog niet heeft over het lichaam en de natuur (die immers een paar kilometer van huis al gevaarlijk en woest kan zijn). Grote indruk op Albert maakt een indianenshow aan het begin van de roman. Heel Verlicht, vond men, zo’n andere cultuur te aanschouwen, maar op Albert heeft het vooral fysiek effect.

Zwervend jongetje

Vooral de eerste helft van De ziekte van Weimar, in Franeker, is sterk: daar hangt onder de oppervlakte alles met alles samen en zo komt Albert van Huszen tot leven als man van zijn tijd. Wanneer de reis naar Weimar aanvangt en bekend terrein verlaten wordt, raakt juist het verhaal-aan-de-oppervlakte op drift. Het lage tempo van de gebeurtenissen was in het eerste deel te pruimen door de nabijheid van Albert en de smakelijke ironie (net als in Teatro Olimpico), maar wordt dan slepend. Lang, te lang, hobbelen we met Albert en zijn reisgenoten achterin de reiskoets mee, waarbij er in al die ledige uren weinig noemenswaardigs omgaat in het hoofd van Albert: daar horen we niets over. Zo verliezen we hem gaandeweg uit het oog (en uit het hart) en wanneer het reisgezelschap opgebroken raakt, valt er daarom nog maar weinig te begrijpen van Alberts plotse hartstochtelijke ontferming over een zwervend jongetje.

Dit knulletje Karl, engelachtig en met vele talenten, is er duidelijk meer vanwege het idee dat hij vertegenwoordigt dan dat hij een waarachtig personage is – net zoals de reizende indianenshow wel stómtoevallig weer opduikt in de Duitse landen. Zo is De ziekte van Weimar interessant en prikkelend als ideeënroman over cultuur versus natuur en de rol van ambities daarin, maar dat is dan wel een ideeënroman met een laag tempo en een groeiend gevoel dat de scènes wel erg kunstmatig worden. Dat heeft ’t Hart in eerder werk beter gedaan: je mist het tempo en de spanning van Hotel Vertigo (2010), of het beklemmende hoe-gaat-dit-aflopen van Wederzijds.

Het gáát natuurlijk wezenlijk, zoals dat Ding an sich, over wat je allemaal niet ziet. Maar juist in een roman waar het gevoel het nog wint van het verstand, is het jammer dat de spanning vooral van de ideeën moet komen, terwijl de roes van het verhaal al uitgewerkt is.