Blokfluitist Erik Bosgraaf

Foto Wei Hung

‘Ik zoek graag het gevaar op. En dat biedt de blokfluit’

Erik Bosgraaf Goede muziek gaat over gevaar zoeken, vindt blokfluitist Erik Bosgraaf. Zijn instrument voorziet daar rijkelijk in. „Alsof je water probeert vast te pakken.” Dit weekend speelt Bosgraaf op het Festival Oude Muziek.

Vroeger leed hij aan de Ziekte van de Absolute Uitvoering, zegt blokfluitist Erik Bosgraaf. Maar die bestaat niet, leerden het leven en de muziek hem. „Het ideale klankbeeld uit mijn verbeelding moet altijd een strijd aangaan met de ruimte om mij heen.”

Deze zaterdagochtend, half juli op het festival Klaterklanken, is daar een uitgesproken voorbeeld van. Voor een hoge beukenhaag op landgoed Elswout onder de rook van Haarlem, speelt Erik Bosgraaf onder een haastig opgetuigde partytent in de regen. De hoge tonen van de fluiten slibben dicht door de vochtige lucht. De roffelende druppels boven zijn hoofd maken het hem moeilijk naar zichzelf te luisteren. Enkele jaren geleden zongen hier de vogels met hem mee, maar nu zwijgen ze. Niettemin weet Bosgraaf het publiek te betoveren. „Je schept in het moment, in de alledaagse werkelijkheid – in dit geval een plensbui – niet in een droomwereld.”

Ik voel me snel ongemakkelijk bij dure dingen die kapot kunnen vallen

Als een van de beste blokfluitisten ter wereld is Bosgraaf de komende dagen een trekpleister in het openingsweekend van het Utrechtse Festival Oude Muziek. Dat richt dit jaar de schijnwerpers op de Italiaanse havenstad Napels. „Een plek”, vindt hij, „met een sterke muzikale eigenheid: grillige harmonieën, lange voorhoudingen, veel dissonanten, grote kleurcontrasten. Misschien zijn die wispelturige naturen wel de uitkomst van het leven op een vulkaan.”

Dood en seks

Zijn hart ligt goeddeels in de zeventiende en achttiende eeuw. De oude Johann Sebastian Bach liet in de puber Bosgraaf de musicus ontwaken. „In een kerk in Leeuwarden hoorde ik de Hohe Messe. Dat stuk raakte me diep. Ik wilde alles geven om dit ook te kunnen. Die musici waren in mijn ogen een soort magiërs, een zeldzaam ras in onze onttoverde samenleving: meesters van een mysterie dat een magnetische aantrekkingskracht uitoefende. Die groep, daar wilde ik bij horen.”

Dat de blokfluit zijn instrument zou worden, was in die vroege tienerjaren nog geen uitgemaakte zaak. „Ik speelde ook hobo”, vertelt Bosgraaf, „maar die bleek niet bij mijn aard te passen. Ik kan me niet als pietje precies elke dag een halfuur of langer verliezen in het snijden van mondstukken. Bovendien voel ik me snel ongemakkelijk bij dure dingen die kapot kunnen vallen.”

En muzikaal boterde het ook niet. „De moderne hobo komt uit het industriële tijdperk. Hij wordt machinaal gemaakt, het is klep open, klep dicht. In zekere zin een digitaal instrument: een nul of een één. Dat vind ik niet interessant. De hobo gaat over die ene volmaakte noot, die gouden klank in die ene solo in het orkest. Ik ben te eigenzinnig om een verkeersleider als de dirigent te volgen. Ik ga altijd met tachtig door de bocht en maak dan liever een foutje. In een orkest kan dat niet, daar moet je boven alles correct spelen. Dat is voor mij niet waar muziek over gaat. Ik zoek graag het gevaar op. En dat biedt de blokfluit.”

Het verbaast Bosgraaf daarom dat de blokfluit van oudsher geldt als een ideaal instrument voor beginners. „De grepen zijn onlogisch, je weet niet precies waar de noten zitten, bij hard blazen wordt hij meteen vals. Je moet toonhoogtes in je hoofd kunnen horen voor je ze kunt ‘vinden’ op het instrument. Daarom leg ik bij leerlingen veel nadruk op voorstellingsvermogen. Met kunde alleen komen ze er niet. Het gaat om het mengsel van ambacht en fantasie. En die verbeelding is bij de blokfluit wezenlijker dan bij veel andere instrumenten, omdat je in alle opzichten in het duister tast: alsof je water probeert vast te pakken.”

Door die ongrijpbare klank was de blokfluit in de Barok sterk met de dood verbonden. „Bij Bach belichamen wij altijd vergankelijkheid”, zegt Bosgraaf. „Maar we zijn ook de arcadische stem van de herders, van de landelijke idylle. En in de schilderkunst duikt het instrument ook op als fallussymbool. Dood en seks zijn nu eenmaal altijd een twee-eenheid geweest.”

Aards en onaards

De fysieke natuur van barokmuziek spreekt Bosgraaf aan. „De stukken kennen een tactus, een hartslag. Die ervaring gaat later, in de Romantiek, verloren. Dan draait het om de gekwelde ziel van de componist. De Barok daarentegen vereert de homo ludens, de spelende mens. De muziek is puls, ritme, dans. Zij is daarin heel aards, maar gunt ons tegelijkertijd een blik in een wereld buiten onze eigen werkelijkheid.”

Erik Bosgraaf speelt vrijdagavond 23/8 in het openingsconcert van het Festival Oude Muziek, TivoliVredenburg Utrecht. Met zijn ensemble Cordevento is hij 24/8 te horen met Napolitaanse barokmuziek.