Groot loonverschil tussen flex en vast

Arbeidsmarkt Flexibele werknemers zijn jonger, lager opgeleid en werken in minder gewilde beroepen. Daarom is hun loon gemiddeld veel lager.

Foto Roos Koole/ANP

Nederlanders met een vast dienstverband verdienen gemiddeld twee keer zoveel als werknemers met een flexibel contract. Dat blijkt uit een onderzoek dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze donderdag publiceert.

In 2016 verdienden vaste werknemers gemiddeld zo’n 25,50 euro per uur, inclusief vergoedingen voor overwerk en incidentele beloningen zoals een dertiende maand. Het uurloon van flexibele werknemers was gemiddeld 12,50 euro. Het onderzoek richtte zich alleen op werknemers en dus niet op zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers).

Het grote beloningsverschil is vooral te verklaren door de verschillen in de populatie. Flexwerkers zijn gemiddeld jonger, werken vaak in lager verdienende beroepen en hebben minder scholing en werkervaring. Nadat het CBS de cijfers had gecorrigeerd voor deze en andere achtergrondkenmerken, bleef er nog een onverklaard beloningsverschil over van 7 procent in het voordeel van vaste werknemers.

De flexibilisering leidt tot meer ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden

Anders gezegd: als je een vaste werknemer en een flexibele werknemer naast elkaar zet die grofweg dezelfde achtergrond en beroepskenmerken hebben, verdient de vaste werknemer gemiddeld 7 procent meer. Al nuanceert CBS-econoom Peter Hein van Mulligen dat dat ‘onverklaarde verschil’ nog kleiner zou kunnen zijn dan het CBS nu meldt.

Het CBS heeft in zijn correctie namelijk grofweg onderscheid gemaakt tussen dertien beroepssoorten, zoals ‘managers’ en ‘pedagogische beroepen’. Terwijl de verschillen binnen zo’n beroepssoort groot kunnen zijn: een docent wiskunde is een stuk gewilder dan een onderwijsassistent, dus die zal eerder een vast contract en een hoger loon krijgen. Zulke verschillen heeft het CBS er niet uitgefilterd.

Scholieren en studenten

Het grote, ongecorrigeerde, beloningsverschil illustreert de relatief slechte positie van flexibele werknemers op de arbeidsmarkt – of dat nu komt door het verschil in opleidingsniveau, beroepskeuze of leeftijd. Van Mulligen: „Hoe unieker de capaciteiten die je hebt, hoe groter de kans dat je ergens een baan vindt met een vast contract en met een hoog uurloon.”

Leeftijd is veruit de belangrijkste verklaring voor het grote beloningsverschil tussen flex en vast, ontdekte het CBS. Dat komt deels doordat zoveel scholieren en studenten als flexkracht werken. Bijna de helft van de flexibele werknemers is onder de 25 jaar. Van de vaste werknemers is dat 8 procent. Daarnaast krijgen startende werknemers, aan het begin van hun loopbaan, relatief vaak een flexcontract aangeboden.

Laagopgeleiden blijven bovengemiddeld vaak hangen in flexcontracten. Van alle hoogopgeleide werkenden heeft twee derde een vast contract. Onder laagopgeleiden is dat slechts de helft. Ook zijn flexcontracten oververtegenwoordigd in commerciële beroepen (zoals verkopers), dienstverlenende beroepen (zoals schoonmakers) en transport- en logistieke beroepen (zoals laders, lossers en vakkenvullers).

Kwetsbaar

In internationaal opzicht heeft Nederland veel flexkrachten en hun aantal groeit. Vorig jaar had 22 procent van de werkenden een flexibel arbeidscontract. Tien jaar eerder was dat nog 17 procent. Als je zzp’ers meerekent, behoort al bijna 40 procent van de werkenden tot de flexibele schil.

De laatste kwartalen zag het CBS het aantal vaste contracten sterker toenemen, maar dat lijkt een tijdelijk, conjunctureel effect, door de personeelsschaarste. Arbeidsdeskundigen denken dat de flexibilisering op de lange termijn nog niet ten einde is.

Lees ook over het stijgende aantal zzp’ers in Nederland: Zelfstandig ondernemerschap (op bijstandsniveau)

Die flexibilisering maakt de hele Nederlandse economie kwetsbaar, zeggen economische instituten. In juni waarschuwde de Oeso, de denktank van rijke industrielanden, dat flexibele werknemers tijdens een crisis sneller hun baan kwijtraken. Daardoor leidt een economische schok in landen met veel flexwerk doorgaans tot een hogere werkloosheid. Deze werklozen gaan ook minder consumeren, waardoor de economie nog verder verzwakt.

De flexibilisering leidt ook tot meer ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden, schreef het Centraal Planbureau in maart. Die ongelijkheid nam al toe tijdens de vorige crisis, na 2008. De werkloosheid onder laagopgeleiden ging toen met 6 procentpunt omhoog, tegen 2 procentpunt onder hoogopgeleiden. Ook nu nog is de werkloosheid onder laagopgeleiden relatief hoog, hebben zij verhoudingsgewijs weinig geprofiteerd van koopkrachtstijgingen en zijn zij relatief pessimistisch over de toekomst.