Datadrift slaat toe in de boomkwekerij

Fruitteelt Boomkweker Fleuren verzamelt zoveel mogelijk data zodat zijn bomen goed groeien. Dat níét doen „is een beetje dom”.

Op zijn quad met gps-scanner verzamelt Yannick Smedts (boven) data over de fuitbomen van Fleuren.
Op zijn quad met gps-scanner verzamelt Yannick Smedts (boven) data over de fuitbomen van Fleuren. Foto Olivier Middendorp

Het liefst zou Han Fleuren, derde generatie boomkweker, met zijn bomen willen „praten”. Nu weet hij, als het blad slap hangt of bruin kleurt: het was te warm. „Maar veel liever willen we het direct weten als de planten stress krijgen.”

Praten met bomen kunnen ze niet bij familiebedrijf Fleuren. Maar de boomkwekerij verzamelt wel tal van data om zoveel mogelijk over die bomen te weten te komen. Want dat níét doen, redeneert Han Fleuren, „is gewoon een beetje dom”.

Want er staat veel op het spel. Fleuren is een van de grootste vruchtboomkwekerijen in Nederland: het kweekt zo’n 2,5 miljoen fruitbomen op 125 hectare grond. De percelen pacht het bedrijf van boeren in Limburg. De appel-, peren-, kersen- en pruimenbomen worden, behalve in Nederland, verkocht aan fruittelers in het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Noorwegen. Per hectare grond staat er voor zeker 100.000 euro aan bomen, zegt Fleuren. „Als wij één slechte plek in een perceel hebben, is de financiële schade direct heel groot.”

Om deze reden heeft Fleuren, dat een jaaromzet heeft van 7 à 8 miljoen euro, in 2014 iemand aangenomen om zo veel mogelijk nuttige data te verzamelen. De 29-jarige Yannick Smedts is specialist in ‘precisielandbouw’. Sinds de komst van Smedts ‘scant’ Fleuren de bodem, heeft het weerstations ontwikkeld om hyperlokale weerinformatie te genereren, en experimenteert het bedrijf met drones om die uiteindelijk in te kunnen zetten voor ziekteherkenning.

Gps-ontvanger

In een schuur op het terrein van Fleuren in Baarlo, bij Venlo, toont Smedts de belangrijkste dataverzamelaar: een lange zwarte kunststof slee met gps-ontvanger en sensor die de bodem ‘meet’. De scanner vertelt of het lichte zandgrond of zwaardere kleigrond is, of de grond veel of weinig bemesting nodig heeft en of Fleuren hier beter kersen- of perenbomen op kan zetten.

Voor een kweker is dit cruciale informatie. Want Fleuren moet elk jaar een kleine 70 hectare nieuwe grond pachten om te beplanten – een tweede keer fruitbomen laten groeien op dezelfde grond kan niet: dan krijg je ‘bodemmoeheid’.

„Wij komen elke keer als zwervers naar nieuwe percelen”, zegt Fleuren. Dit is grond waarover hij nog niets weet. En van de boer van wie hij de grond pacht, hoort hij ook niet wat de slechte stukken zijn. Fleuren lacht. „Zijn grond is voor een boer zijn kindje, dus hij heeft in principe nóóit slechte grond.”

Fleuren stuurde altijd wel wat bodemmonsters naar het lab om zo iets wijzer te worden, maar dat leverde informatie op over het héle perceel. „We werkten altijd met gemiddeldes. Dan zeiden we: strooi maar zoveel kilo van die en die meststof. Dan hadden we iets gedaan, en dat gaf een goed gevoel.”

De belangrijkste dataverzamelaar tot nu toe is een lange zwarte kunststof slee met een GPS-ontvanger en een sensor die de bodem ‘meet’

Yannick Smedts hoorde vaak van werknemers: ‘Het lukt me niet om de groei erin te krijgen.’ „Dat lag dan aan de grond, dus dat gaf een machteloos gevoel.” Om dit probleem op te lossen, haalde Smedts de bodemscanner in huis. De nieuwprijs is 30.000 euro, schat hij, maar de boomkwekerij tikte er tweedehands een op de kop.

Sinds drie jaar trekt Fleuren de bodemscanner over elk perceel voor er ook maar één plantje de grond in gaat. Op een groot scherm op kantoor in Baarlo laat Smedts het resultaat zien: een lappendeken van vakjes in rood, geel, groen, die vertellen wat voor grond er ligt. Naar eigen zeggen is Fleuren de eerste vruchtboomkwekerij in Nederland die zo te werk gaat.

Foto Olivier Middendorp

Bomen met elektroden

Even buiten Baarlo, bij een perceel met jonge kersenboompjes, komt Henk van den Eertwegh (61) aangereden op een trekker. Hij werkt al 35 jaar bij Fleuren en zorgt er onder meer voor „dat de bomen geen snotneus krijgen” – hij spuit bestrijdingsmiddelen en plantmedicijnen. Vroeger, voor de datadrift op kantoor uitbrak, was zijn werk „eenvoudiger”, zegt hij. „Toen hadden we één drukmetertje op de trekker. Als ik nu even te langzaam rijd begint er van alles te piepen. We zijn overgeleverd aan de machine.”

Het werk is inderdaad „complexer” geworden, zegt Smedts. Hij maakt voor elk perceel een „mestplan”. Werknemers – Fleuren heeft er zo’n 50 in dienst – krijgen een usb-stick mee voor in de trekker, met daarop de informatie wat ze precies waar moeten doen.

Maar, zegt Smedts, het werk „tussen de bomen” is ook voor een groot deel hetzelfde gebleven. „Als er een stokje bij een boom moet worden gezet om de stam te ondersteunen, gaat dat gewoon nog met de hand.” En dat moet ieder jaar anderhalf miljoen keer gebeuren. Robots die dat kunnen overnemen, zijn voor zover Smedts weet ook niet in ontwikkeling.

Letterlijk praten met de planten ziet Han Fleuren niet zo snel waarheid worden. Maar hij gelooft wel dat communicatie op een andere manier mogelijk kan worden, bijvoorbeeld door een plant te koppelen aan elektroden en zo te zien bij welke temperatuur die minder zuurstof gaat afgeven en minder CO2 gaat opnemen. „Ik ben nu 52: dat ga ik nog wel meemaken.”

Foto Olivier Middendorp
Foto Olivier Middendorp