Met een neuslengte

Ewoud Sanders

Woordhoek

In het Handboek stijl: adviezen voor aantrekkelijk schrijven (2009) noemen Peter Burger en Jaap de Jong „de menselijke maat” een van „de nuttigste stijlfiguren voor populairwetenschappelijke schrijvers”. Bedragen, afstanden, snelheden, gewichten, kansen en tijdsduur kunnen zo klein of zo groot zijn dat alleen specialisten zich er iets bij kunnen voorstellen.

Daarom adviseren zij onder meer om vergelijkingen te bedenken met een geschikte eenheid en een voorstelbaar getal. Dus bijvoorbeeld niet 150.000 A4’tjes, maar een stapel papier van veertien meter.

In de omgangstaal gebruiken we ook graag dergelijke vergelijkingen, maar doorgaans zijn die opvallend vaag – het zijn slechts gevoelsmaten. Wat betekent bijvoorbeeld torenhoog? En in welke context kom je dit woord in de praktijk tegen? Bij Ilja Leonard Pfeijffer las ik over „kazen torenhoog opgetast”; in een boek van Willem Jan Otten staat: „Op dat moment belde zij, en haalde Hendrik torenhoog zijn snot op.”

Journalisten maken torenhoog graag wat concreter door een specifieke toren te kiezen. Liefst de Eiffeltoren in Parijs (320 meter hoog), soms ook de Domtoren in Utrecht (112 meter). In vergelijkingen worden er meestal een x-aantal van die torens op elkaar gestapeld, maar in NRC las ik onlangs over twee bogen, gemaakt van „felgekleurde havencontainers waarvan de hoogste bijna 30 meter de lucht ingaat, minder dan een tiende zo hoog als de Eiffeltoren”.

Enkele decennia geleden waren vergelijkingen met de piramide van Cheops (139 meter) en de dom van Keulen (157 meter) nog populair, maar die lijken uit de mode te zijn geraakt.

Van alle gevoelsmaten zijn die van het menselijk lichaam ons het meest vertrouwd. Iedereen weet dat mensen in werkelijkheid flink van elkaar kunnen verschillen, maar dat weerhoudt ons er niet van om uitdrukkingen te gebruiken als: manshoog, een kop groter, zo groot als een driejarige (onlangs in NRC, voor een uitgestorven vogel), op ooghoogte en op kniehoogte („het gras is kniehoog”).

Van gras hoor je ook geregeld dat het twee kontjes hoog staat – een seksueel geladen gevoelsmaat. Duimbreed komen we meestal tegen in de zegswijze geen duimbreed wijken of toegeven, maar ik las ook ergens „er blijft geen duimbreed ruimte over”.

Handbreedte vond ik onder andere bij Kees van Kooten, in de zin: „Hij hield keurig een handbreedte afstand van mijn jeukende jongenslichaam.” Armlengte wordt meestal in enkelvoud gebruikt – een armlengte afstand houden – maar soms ook in meervoud. Een voorbeeld uit het archief van deze krant: „Het theater is vier armlengtes breed en tien armlengtes lang.”

Neuslengte lijkt vooral populair in de wielersport. Nogal wat wielrenners komen met een neuslengte voorsprong over de finish, of verliezen met een neuslengte. Ik vermoed dat de meeste mensen hierbij denken aan een gemiddelde mensenneus (dus: winst of verlies met een miniem verschil), maar van oorsprong komt deze uitdrukking uit de paardenrensport, wat flink scheelt in centimeters.

Overigens duikt neuslengte geregeld op in vergelijkingen die Peter Burger en Jaap de Jong zonder twijfel zouden afkeuren, omdat ze eerder verwarrend dan verhelderend werken. Zo schreef de NOS een paar jaar geleden in een verkiezingsprognose: „Niet meer dan een neuslengte voorsprong voor D66 op CDA als je kijkt naar de percentages.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders