Meer vrouwen in de top heeft geen effect op winst

Emancipatie Bedrijven met meer vrouwen aan de top maken niet meer winst. Maar ook niet meer verlies. Dat blijkt uit onderzoek van het CPB en het SCP.

Collega’s vergaderen in een zakenbijeenkomst
Collega’s vergaderen in een zakenbijeenkomst Foto Fang Xia Nuo

Eén procentpunt per jaar, dat is het tempo waarin het aandeel vrouwen aan de top van het bedrijfsleven de afgelopen tien jaar in Nederland is toegenomen. Bij de vijfduizend grootste bedrijven bestaat nu gemiddeld 15 procent van de raden van bestuur en de raden van commissarissen uit vrouwen. Het betekent dat het streefcijfer van 30 procent voor grote bedrijven, dat in 2013 is opgenomen in de Wet bestuur en toezicht, door de meeste bedrijven bij lange na niet wordt gehaald.

Waar komt dat door? En wat kunnen overheid en bedrijven doen om dit aandeel verder te verhogen?

Die vragen kregen het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) voorgelegd door de directie Emancipatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Lees ook het interview met Elske Doets, Zakenvrouw van het Jaar 2017: ‘Meisjes durven hun ambitie niet uit te spreken’

Minister Ingrid van Engelshoven (D66) wil de resultaten van het wettelijke streefcijfer eind dit jaar evalueren. Ze overweegt hardere maatregelen, misschien vervanging van het streefcijfer door een afdwingbaar quotum. Maar eerst wil ze van CPB en SCP de feiten horen, vervolgens krijgt ze in het najaar een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER).

Ans Merens (SCP) en Egbert Jongen (CPB) legden alle relevante onderzoeken uit binnen- en buitenland naast elkaar.

Internationaal vergelijkbare cijfers zijn er alleen voor de grootste beursgenoteerde bedrijven. Wat betreft vrouwen in de raden van bestuur scoort Nederland internationaal gezien gemiddeld, en als het gaat om de raden van commissarissen zelfs bovengemiddeld. Maar kijk je naar het aandeel vrouwelijke managers in alle lagen van bedrijven, dan ligt Nederland met 27 procent beneden het Europese gemiddelde van 34 procent.

Maatregelen met beperkt effect

Dat heeft deels te maken met het hoge percentage vrouwen dat in deeltijd werkt. Voor het ministerie is het daarom interessant om te weten hoe vrouwen kunnen worden gestimuleerd om meer te gaan werken. Jongen: „Er zijn vaak hoge verwachtingen van een verdere verhoging van de kinderopvangtoeslag of langer betaald vaderschapsverlof. Uit onderzoek naar dit soort maatregelen in andere landen blijkt echter dat ze maar een beperkt effect hebben. Vrouwen gaan er niet substantieel meer uren door werken.”

Lees ook: Minister publiceert lijst van bedrijven met te weinig vrouwen in top

Bij de Nederlandse rijksoverheid en non-profitorganisaties is het aandeel vrouwen aan de top met gemiddeld 34 respectievelijk 40 procent aanzienlijk hoger dan de gemiddeld 15 procent bij de vijfduizend grootste bedrijven. „Bedrijven die het streefcijfer van 30 procent niet halen, moeten dat uitleggen in hun jaarverslag”, zegt Merens. „Maar de meeste bedrijven houden zich daar niet aan. Ze krijgen geen sanctie als ze het streefcijfer niet halen en ook niet als ze daarover geen of geen volledige uitleg geven in hun jaarverslag. In die zin is het beleid vrijblijvend.”

Toch willen de onderzoekers niet zeggen of zij vinden dat er een bindend quotum moet worden ingevoerd, zoals al bestaat in onder meer Noorwegen, Italië, Frankrijk en Duitsland. Ze leveren alleen feiten waarop de politieke discussie straks gebaseerd kan worden. „Wij zitten ook als adviserend lid in de commissie die het SER-advies voorbereidt”, zegt Merens. „Als er gediscussieerd wordt over de wenselijkheid van beleid, zoals een bindend quotum, houden wij ons afzijdig. Dat past beter bij onze rol.”

Het instellen van een bindend quotum heeft volgens Jongen wel snel effect, is in andere landen gebleken. „Blijkbaar is er genoeg vrouwelijk potentieel aanwezig in bedrijven om zo snel door te stromen.” Het opnemen van streefcijfers in de corporate governance code, waaraan beursgenoteerde bedrijven zich committeren, werkt ook, maar veel minder sterk.

Quotum geen wondermiddel

Soms heeft alleen de dreiging van een bindend quotum al effect. In Zweden was er een wet in de maak om een quotum in te voeren, maar het Zweedse kabinet viel voortijdig. Ondertussen was het aandeel vrouwen aan de top al wel snel gestegen. Toen er geen quotum kwam, bleef het percentage ergens halverwege steken, maar het zakte niet meer in.

Toch is een bindend quotum geen wondermiddel, zegt Jongen. „Voor het aandeel vrouwen onder de top doet het weinig. In Noorwegen geldt sinds 2008 een quotum, waardoor nu 40 procent van de top uit vrouwen bestaat. Maar in de subtop is het aandeel vrouwen, in ieder geval tot 2014, hierdoor niet gestegen.”

Voor de overheid zijn er dus maar weinig „knoppen om aan te draaien”, concluderen de onderzoekers. „Waar wel een wereld te winnen valt, is bij de bedrijven zelf”, zegt Merens. Stereotype beelden over leiderschap spelen nog vaak een rol bij benoemingen. Mannen worden gezien als ambitieus en taakgericht, terwijl aan vrouwen vooral warmte en interpersoonlijk contact worden toegedicht. Merens: „Toch zijn de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke leiders niet zo groot. Uit onderzoek naar het brein van mannen en vrouwen komen geen verschillen naar voren in cognitieve vaardigheden en sociaal gedrag.”

Lees ook: Commissie: quotum nodig voor meer topvrouwen

Een verhoging van het aandeel vrouwen aan de top wordt meestal verdedigd vanuit het oogpunt van gelijke kansen. De onderzoekers keken of het voor bedrijven ook financieel profijtelijk is. Dat blijkt geen bruikbaar argument voor de discussie. „Uit de studies die wij bekeken, kwam geen eenduidig causaal verband tussen meer vrouwen aan de top en de winstgevendheid”, zegt Jongen. „Je kunt dat negatief interpreteren – jammer, we hadden gehoopt dat de winstgevendheid omhoog zou gaan – maar ook positief. In Noorwegen was veel discussie voordat daar een quotum werd ingevoerd. Tegenstanders vreesden dat al die onervaren vrouwen aan de top de winst zouden drukken. Die angst bleek uiteindelijk ongegrond.”