Opinie

Een patiënt met schuld

Frits Abrahams

Er zat opeens een andere medewerker achter de balie bij de tandarts. Een man. Al die jaren dat ik naar de tandarts ga, was het een vrouw. Zij begroette de patiënten, nam de telefoontjes aan, schreef de nieuwe afspraken in en zag toe op de betaling.

Eén van hen heette Debora. Haar zal ik nooit vergeten vanwege de indringende intonatie waarmee ze haar voornaam uitsprak: „Met De-bo-rááá!” Ze was helaas opeens vertrokken – als patiënt word je daar nooit in gekend –, maar jaren later roep ik nog steeds naar mijn vrouw als haar stem wat schril aanzwelt: „Met De-bo-rááá!”

Maar nu zat er dus die man. Een kloeke veertiger met een gedecideerde stem. Zijn balie bevond zich aan de rand van de wachtruimte, je kon hem zien en horen praten. Aanvankelijk lette ik niet op hem en probeerde ik met tegenzin een keus te maken uit die typische wachtkamerlectuur van de tandartszorg: Elsevier van anderhalf jaar geleden, een stukgelezen exemplaar van de Linda.

Opeens hoorde ik zijn stem door de ruimte snijden op een manier waarvan zelfs Debora zou hebben opgekeken. Scherp, rationeel, zakelijk. Hij was met iemand aan het bellen. De vergelijking met een tandartsboor ligt voor de hand, en zal ik daarom maar achterwege laten.

De baliemedewerker zei onverbiddelijk: „Er staat nog een factuur van u open, hoor ik van ons bureau…” Er scheen aan de andere kant van de lijn de nodige ontsteltenis te ontstaan, want de medewerker voegde er nadrukkelijk aan toe: „Ja, u hoort het goed, u spreekt met de tandartspraktijk van…”

Er braken enkele minuten aan waarin de patiënt zich vermoedelijk uitgebreid en nederig verontschuldigde. De medewerker reageerde met een begin van warmte in zijn stem: „Dat verklaart veel. Gaat het nu weer goed met u?”

Als ik die patiënt was geweest, zou ik op dat moment kermend in elkaar zijn gezakt, in doodsangst roepend: „Ik kan niet meer, haal een dokter!” Maar deze patiënt had minder tegenwoordigheid van geest, want hij begon kennelijk aan een lange woordenstroom waarvoor de medewerker geen geduld kon opbrengen. „Ik geef u nog tien…”, zei de medewerker, maar hij kon zijn fatale zin niet afmaken omdat de patiënt alweer het woord had hernomen.

Hij had zijn toevlucht genomen tot een afleidingsmanoeuvre, begreep ik. Er ontspon zich een gesprek over de manier waarop je tandartsafspraken kon maken. Aan de stem van de medewerker was duidelijk te horen dat hij deze wending in de dialoog met grote weerzin doorstond. Hij had er zo langzamerhand schoon genoeg van, opgetieft met die wanbetalers. „Ja, dat kan per telefoon of per mail”, bromde hij – om vervolgens alsnog de onvermijdelijke executie te voltrekken: „Ik geef u nog tien dagen de tijd.”

Of de patiënt toen nog een geluid heeft voortgebracht, is niet bekend. Hij had er in ieder geval nauwelijks de gelegenheid voor, want de baliemedewerker riep na zijn laatste mededeling zo snel mogelijk: „Dag!”

Op dat moment zat ik met drie andere patiënten in de wachtkamer. Ik ben ervan overtuigd dat ook bij hen de Linda en Elsevier het hadden verloren van dit telefoongesprek. We wisten al langer dat er met een tandarts niet te spotten viel, maar dat de grootste dreiging niet in een boor of tang zat, maar achter een balie – dat was slecht nieuws.