Kleur bestaat niet

Schrijver en kunstschilder wandelen langs de kust en doen verslag in woord en beeld. Afl. 7: Licht en donker.

We staan op het puntje van de Balg, het oostelijke uiteinde van Schiermonnikoog. In de verte drijven Rottumeroog en Rottumerplaat op een streep van lucht. ’k Zie tot de horizon geen duinen meer, deze zandplaat is een van de schaarse plekken in Nederland met een landhorizon.

Met kleuren is hier niet scheutig omgesprongen: ik zie grijzen, blauwen, wat camel, that’s it. Maar juist door dat terughoudend kleurgebruik trekt iedere felle tint meteen de aandacht. Zo’n strandpaal met een rooie kop is even onontkoombaar als het rode jasje in het Venetië van Don’t look now.

Of kijk wat er tegen die ingetogen achtergrond met wit gebeurt! Fluorescerend witte branding zodra er maar even iets van zonlicht op valt. Witter dan wit, even aanstippen, heerlijk lijkt me dat. „Klassiek voorbeeld dat licht ontstaat door donker”, doceert Jan. „Ervóór is het ook donkergrijs, daardoor wordt dat streepje nog witter. Of kijk naar het wit van die kluut. Dat is is net even witter dan dat van een meeuw doordat ie ook zwart heeft.”

De Balg is leeg, op twee verre figuurtjes na. „Zie je die?”, vraagt Jan. „Dan krijg je extra licht. Bekende truc van de Haagse School: altijd staat daar wel een schelpenkar in de verte op het strand.” Nietige figuurtjes onder dat immense hemelbaldakijn, die zich spiegelen in het dunne laagje water dat als een film over het zand ligt. Ze doen me denken aan de mensjes in een Saenredam of Emanuel de Witte, die extra hoogte en luminositeit verlenen aan zo’n machtig kerkinterieur.

Als de twee dichterbij komen, grijnst Jan me steels toe. Na uitgebreide waarnemingen heeft hij berekend dat bij driekwart van de strandwandelende echtparen de man een blauw jasje aan heeft, terwijl om de vrouw een rood hesje zit, en deze twee bevestigen zijn theorie. „Dat rood-blauw is waar je oog meteen heen gaat. Maar het is de omgeving die de kleur maakt.” Dat leerde hij van Leo Schatz op de Rietveld Academie: de uitstraling van een kleur wordt niet bepaald door die kleur zelf, maar door wat je eromheen ziet. „Kleur bestaat niet.”

Van hoog naar laag in het felle middaglicht wijst hij aan: ultramarijn (donkerblauw), ceruleumblauw (lichtblauw, zonbeschenen), turquoise (nog minder licht), paarsachtig, rozeblauw en grijs indigo. Dan het azuurblauw van de zee: „Helder water, geel zand, blauwe luchtweerspiegeling, dan krijg je een beetje groen er in. Zo worden die kleuren gemengd.”