.Ivo Janssen, pianist

Olivier Middendorp

Ivo Janssen: ‘Ik aanvaard de eindigheid van het bestaan als concertpianist’

Ivo Janssen Het einde van het muzikale bestaan komt in zicht voor pianist Ivo Janssen. Hij heeft een kwaal aan zijn handen en te weinig concerten om rond te komen. En verbouwen betaalt beter en voelt als vakantie. „Klank lost op in lucht, een kast niet.”

Op sommige dagen kijkt hij naar zijn handen en zegt tegen zichzelf: „Hoe kan jij nou pianist zijn?” De pinken trekken krom en kunnen niet meer spreiden door de vorming van verhard bindweefsel. Een week geleden heeft de arts met een naald wat strengen doorgesneden. En op die plek is de handpalm van Ivo Janssen (56) paarsblauw.

Zo’n twintig jaar geleden verschenen rechts de eerste knobbels. In een Haagse kliniek voor musici kreeg hij te horen dat het hier om de ziekte van Dupuytren ging. Zolang de pinken nog goed bewogen, hoefde hij zich nog geen zorgen te maken. En die klachten konden wel tot zijn zeventigste op zich laten wachten, probeerde de arts hem gerust te stellen. „Sindsdien zat ik voortdurend aan mijn vingers te voelen. Controleren hoe ze ervoor stonden. Want het verloop van de kwaal blijft onzeker en grillig. Zodoende bekroop me halfweg de dertig al de gedachte: die Keltische klauw kan mijn Waterloo als pianist worden.”

Muziek: vooral eenzaam studeren

De ziekte overviel hem in de jaren van de roem. Al was hij vooral een pianist voor de fijnproevers, mede omdat hij een leven als rondtrekkend virtuoos niet zag zitten. Zijn box met alle klaviermuziek van Johann Sebastian Bach groeide uit tot een standaardwerk. En daarnaast verbouwde hij drie woonboten en een huis. Misschien nog wel een grotere liefde dan de muziek.

Hij wijst naar een zelfgemaakte kast in zijn woonkamer. „Daar ben ik een paar maanden mee bezig. Ik zie het stap voor stap vorderen en dan is het klaar. De mensen kunnen er omheen lopen, hem bewonderen en aanraken. De muziek is negenennegentig procent van de tijd in eenzaamheid studeren, om vervolgens een klankkast te bouwen, die na de slotnoot weer in lucht oplost. Je moet alles elke keer weer opnieuw bevechten.”

En dat wil Ivo Janssen niet meer. Het is niet dat die onwillige pinken het hem onmogelijk maken, ja, stukken met grote akkoorden gaan niet meer, maar een pianoconcert van Mozart vertolkt hij nog met evenveel elan als vroeger en zijn Bach - geloof hij - is beter en dieper dan ooit. „Het is gewoon dat je ergens een streep moet trekken. Na veertig jaar aanvaard ik de eindigheid van het bestaan als concertpianist. Ik ga verder zoals de Italianen dat zo mooi noemen als een dilletante, een amateur. Wat uiteraard niet betekent dat ik gratis kom spelen, wanneer iemand me wil strikken voor een recital.”

Behalve zijn ziekte was ook het teruglopen van die aanvragen voor concerten voor Janssen reden om vraagtekens bij zijn bestaan als beroepsmusicus te zetten. Hij kon er simpelweg niet meer van rondkomen. „Collega’s waarschuwden me hier tientallen jaren geleden al voor.

Jong en veelbelovend tot 40

Als pianist ben je jong en veelbelovend tot pakweg je veertigste. Welbeschouwd is dat best lang, dus daar mogen we onze handen mee dichtknijpen. Maar daarna treedt de droogte in en word je pas weer interessant rond je zeventigste. Onder het mom: speelt die ouwe nog? Dus je hikt tegen een leegte van zo’n dertig jaar aan. En daar zit ik nu middenin. Het Parool kopte: Ivo Janssen stopt. Maar dat ligt genuanceerder.”

Janssen houdt in elk geval wel op met recitals in de zelfgebouwde concertzaal van zijn Amsterdamse woonboot. Voor de rest laat hij het leven gewoon op zich afkomen. Helemaal een ‘zelfstandige zonder piano’ wordt hij niet, zoals hij ook in de gelijknamige blog op zijn site voidclassics.com uitlegt.

„Straks ontdekken ze een wondermiddel om mijn handen te genezen”, grijnst hij, „en maak ik een grandioze comeback op mijn achtenzestigste. Wie zal het zeggen.”

Inmiddels kocht hij met zijn vriendin een boerderij in de Betuwe. „Mijn beroep is het verbouwen van dat huis. Drie keer per week rij ik ernaar toe en het voelt als vakantie. Bij de piano blijft er altijd de druk van het presteren. Het is nooit echt klaar. Ik bedoel: als een klimmer de Mount Everest bedwingt, staat hij op het dak van de wereld. Hoger kan hij niet. Maar wat is het equivalent daarvan voor een musicus? Dat bestaat niet. Wij kennen geen Mount Everest.”

Al kent het bestaan van pianist ook zijn extatische momenten. „Vaak worstel je met de materie, maar soms neemt de muziek je aan de hand mee. Ik had dat de laatste jaren hier op de boot wanneer ik Bach speelde, zijn Goldbergvariaties vooral. Een verdomd lastig stuk, maar dan zat ik naar mezelf te luisteren met het gevoel van: ik zou nog geen fout kunnen maken als ik het wilde. Daar doe je het voor.”