Opinie

Ineens moet je het zó zeggen. Heb lief gehad

Marjoleine de Vos

Volgens de wijze Solon was een leven pas gelukkig te noemen als het ook goed was geëindigd, zoals Herodotus vertelt, daarvóór was het lichtvaardig om iemand gelukkig te noemen. Het is een gedachte die wel eens bij je opkomt, in het vliegtuig bijvoorbeeld, na een vakantie: als we nu neerstorten zijn we lekker samen dood en gelukkig.

Maar waar is die oordelende instantie die zegt wat je van een leven moet denken? Er is helemaal geen Solon, er zijn geen goden die het liefst zien dat het leven, als was het een feest, op het hoogtepunt verlaten wordt om er dan hun goedkeuring aan te hechten. We zijn er alleen maar zelf en voor ons is het moeilijk en willekeurig om standpunten te kiezen van waaruit je over je eigen leven kunt praten.

De taal helpt ons en bedriegt ons. Ik denk vaak aan de titel van een gedicht van Judith Herzberg dat overigens helemaal niet over de persoonlijke ervaring gaat maar over een tijdperk: ‘In deze drukke, gelukkige jaren’. De titel geeft even de illusie dat je het besef zou kunnen hebben dat je in een bepaald soort jaren leeft – druk, gelukkig – terwijl je ze leeft. Meestal kom je achteraf met je kwalificaties. „Dat is onze gelukkigste tijd geweest.”

Voltooide tijden. Ze horen bij de dood die alles, hoe onvoltooid ook, toch afsluit. De dode die ik betreur – hoe kán hij tot een voltooide tijd geworden zijn? Aldoor die woorden van de dichter Leopold: „Ik heb zo zielsveel van je gehouden, ik heb je zo lief, zo lief gehad”. Ineens moet je het zó zeggen. Heb lief gehad.

Tijd is volstrekt onvoorstelbaar, al doen we met behulp van grammatica en getallen of het niet zo is. Je zegt ‘dertig jaar’ maar wat is dat? Waar is het moment van tien jaar geleden gebleven? Misschien een beetje in de brief, op de foto, in het gedicht. In je kop.

Als iemand door de dood voltooid is, is hij ineens alle tijden tegelijk. Je leest een briefje in zijn zo eigen toonaard en de tijd tussen nu en dat briefje bestaat niet meer. Waar ben je dan. In dat briefje? Waar zijn we überhaupt, verdwaald in de tijd als we altijd maar zijn, ‘nu, nu, nu’ roepend – maar intussen is het nu nergens en het verleden overal. Je lacht om een reactie van twintig jaar geleden, bent vertederd om een gebaar dat uit de tijd naar voren komt gesprongen, er is een tekeningetje, een vaak uitgesproken woord of zin – alsof het even weer is en niet was. De alomtegenwoordigheid die volledig samen valt met de alomafwezigheid.

En dus zijn er alle tijden tegelijk. De fotoalbums vullen zich ineens weer met leven – daar kunnen fotoalbums ook best mee op houden en je dooiig aanstaren, maar niet als er zo kort geleden iets onherroepelijks is gebeurd. Slapende herinneringen slaan de ogen op, al onze Doornroosjes kijken verwonderd om zich heen en vragen: waar ben ik?

Ja waar zijn jullie? Waar ben ik? Ergens in dat door doornen omringde kasteel van de verloren tijd.

„Ik zie het aan en wens/ dat ondanks ons verstrijken het beklijft” schreef Tom van Deel in een gedicht dat ‘Dit moment’ heet en gaat over een vrouw die door de tuin loopt en die gezien wordt door de dichter. Soms gebeurt dat, al kan het niet, dat zo’n moment beklijft. Dan is het moment voorbij, maar opgeslagen in de voltooide tijd. Wat dat dan ook moge zijn. Net zoiets als ‘geen tijd’. Als ‘altijd’.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.