De economie groeit, maar het verdiende geld geven we niet uit

Economische groei In tien jaar tijd stegen de inkomens ongeveer net zoveel als de economie groeide. Toch consumeerden Nederlanders veel minder. Waar bleef dat geld? Zes vragen over het ‘consumptiegat’.

Nederland bungelt met een percentage van 60,4 dan ook onderaan in internationale vergelijkingen van de consumptie als aandeel van het bbp.
Nederland bungelt met een percentage van 60,4 dan ook onderaan in internationale vergelijkingen van de consumptie als aandeel van het bbp. Foto Robin Utrecht/ANP

De economische groei is in de afgelopen tien jaar nagenoeg elk jaar hoger geweest dan de groei van de particuliere consumptie, meldde het CBS maandag. Alleen in 2009 en 2015 overtrof de groei van de consumptie die van de economie. En dat terwijl de groei van het totale inkomen in diezelfde periode wel gelijke tred hield met de groei van de economie. Waar is dat geld gebleven?

1 Wat zeggen de cijfers precies?

Per saldo groeide de economie (het bruto binnenlands product) tussen 2008 en 2018 met 9,3 procent (gecorrigeerd voor inflatie), en nam de consumptie in diezelfde periode toe met 4,1 procent. En dat terwijl het totaal aan inkomens grosso modo mee steeg met het bbp. Nederland bungelt met een percentage van 60,4 dan ook onderaan in internationale vergelijkingen van de consumptie als aandeel van het bbp.

De verklaring voor het ‘consumptiegat’ is voer voor fel debat. Sommigen wijten het aan oplopende lasten zoals pensioenpremies, anderen aan te lage lonen. Volgens het CBS is de verklaring voor het gat tweeledig: voor ongeveer eenderde is het te verklaren uit het feit dat de consumentenprijzen gemiddeld harder stegen dan de prijzen van het bruto binnenlands product. Simpel gezegd werd een mandje boodschappen sneller duurder dan de totale inflatie van Nederland.

Een ander deel van de achterblijvende consumptie is te verklaren uit het feit dat Nederlanders meer zijn gaan aflossen op hun woninghypotheken. In totaal daalde het saldo van opgenomen en afgeloste hypotheken in die tien jaar met 20 miljard euro. Geld dat dus niet naar consumptie is gegaan maar naar aflossing.

2 Vorige week meldde het CBS nog dat de Nederlandse economie nog groeit, juist dankzij de consumptie?

Dat klopt, de groei die in het tweede kwartaal 2019 werd geboekt was voor een belangrijk deel afkomstig uit consumptieve bestedingen. De cijfers die het CBS deze maandag publiceerde gaan echter over de periode 2008 tot en met 2018. Daar zitten de forse consumptieve bestedingen van het tweede kwartaal 2019 dus niet in. De cijfers van deze week lijken vooral een antwoord te willen geven op het debat over de gewenste loonstijgingen en de effecten daarvan.

3 Premier Rutte riep in 2013 toch juist op om meer te consumeren?

Volgens Rutte moesten we allemaal een nieuwe auto of een nieuwe keuken kopen om de economie te redden en „het CPB te verslaan”. Dat is macro-economisch gezien een logische gedachte. Wie consumeert, zet bedrijven aan om meer te produceren, en dat verhoogt de economische groei. Zeker als de overheid de hand op de knip houdt, en dat gebeurde in de jaren na de crisis fors, is het macro-economisch gezien beter als bedrijven en particulieren geld blijven uitgeven in plaats van ook te gaan besparen.

4 Waarom doen Nederlanders dan niet wat Rutte wilde?

Dat komt omdat er op micro-niveau wat anders aan de hand is. „Veel mensen zijn de schrik van de crisis van 2008 nog niet te boven”, zegt Peter Hein van Mulligen van het CBS. Toen daalden de huizenprijzen in Nederland een aantal jaren sterk. Mede aangespoord door de hypotheekrenteaftrek en de destijds zeer soepele leennormen, waren Nederlanders gewend zich maximaal in de schulden te steken bij de aankoop van een huis. Toen de huizenprijzen daalden, kwamen veel woningen ‘onder water’ te staan: de waarde van het huis was lager dan de aangegane hypotheekschuld. Aflossen werd dus noodzaak.

Sindsdien is er veel veranderd op de hypotheekmarkt. Sinds 2012 is het bijvoorbeeld niet meer mogelijk een aflossingsvrije hypotheek af te sluiten. Iedere nieuwe hypotheek moet in dertig jaar tijd volledig worden afgelost, lineair of annuïtair. Ook wordt jaarlijks het maximale percentage waartegen de rente op de hypotheekschuld mag worden afgetrokken (was 52 procent in 2012), verlaagd. De afgelopen jaren met 0,5 procentpunt per jaar, vanaf volgend jaar met 3,0 procentpunt tot maximaal 37,05 procent in 2023. Niet aflossen betekent in dit geval domweg elk jaar meer kwijt zijn aan hypotheekrente.

5 Het is dus geen vrije keuze geweest om minder te consumeren en meer af te lossen?

Jawel, voor een groot deel wel. De regels die aflossen stimuleren zijn pas een paar jaar van kracht, en het CBS constateert een forse daling van de hypotheekschuld. Die is volgens Van Mulligen maar voor een klein deel toe te schrijven aan de strengere regels. Hij kwalificeert het extra aflossen als „achterstallig onderhoud” en „verlate boetedoening”: „De private schulden waren in Nederland jarenlang te hoog, de crisis heeft dat pijnlijk duidelijk gemaakt”, zegt hij. Per saldo daalde de totale hypotheekschuld van zo’n 105 procent van het BBP in 2009 tot 91 procent in 2018, de laagste stand in 14 jaar.

Het extra aflossen werd nog versterkt omdat de rentes op spaarrekeningen daalden tot ongeveer 0 procent. Dat betekent dat spaargeld nagenoeg niets meer opbrengt, terwijl het aflossen van de hypotheek direct een verlaging van de netto-maandlasten met zich meebrengt.

6 Aflossen is dus goed voor huishoudens individueel, maar slecht voor Nederland?

Deels. Consumptie jaagt de economie aan. Maar de hoge schulden van Nederlanders zijn ook slecht voor de economie als geheel, zo benadrukken toezichthouders als De Nederlandsche Bank en instituten als het IMF al jaren. Die hoge private schuld maakt Nederland gevoelig voor conjuncturele schokken. Een daling van de huizenprijzen heeft traditioneel grote invloed op de consumptie van Nederlanders. Juist door schulden af te lossen als het goed gaat, wordt dat verband kleiner en wordt de Nederlandse economie dus weerbaarder en minder grillig voor conjuncturele schokken. „We kunnen het nu lijden”, zegt Van Mulligen.