Opinie

Megastalling

Christiaan Weijts

Op zondag aan het eind van de zomervakantie is het overal te laat voor of nog te vroeg. Een niemandsland, nergens zo voelbaar als in de fietsenstalling bij station Utrecht Centraal. Maandag opent het nieuwste gedeelte, en wordt het met 12.500 rekken de grootste op aarde. Nu heerst er stilte voor de storm op de drie verdiepingen van deze ondergrondse spiegelwereld.

„Afgelopen week stond het elke ochtend alweer stampvol”, vertelt de vrouw bij de scanbalie. „Dus die uitbreiding is hard nodig. En iedereen wil hem dáár neerzetten. Dicht bij de ingang.”

Ik snap dat wel. Bij mij thuis in de Haagse binnenstad wemelt het van de gratis bewaakte stallingen en toch plemp ik hem het liefst tegen zo’n stalen nietje. Scanpasje trekken, stallingbewaker groeten – het doet kennelijk afbreuk aan het vrijheidsgevoel, het vluchtige.

De fiets is – zeker sinds Rutger Hauer en Turks Fruit – altijd het voertuig van zwierige anarchie geweest. De steden voeren al jarenlang een strijd tegen die zeeën van staal, met gemarkeerde vakken en geüniformde fietscoaches. Maastricht gaat experimenteren met zones waar je maar één uur mag staan. Krijgen we dan parkeerschijfjes op onze fietsbellen?

Nee, dan valt van Utrecht nog veel te leren. Het is een indrukwekkende megastalling, strak, met heldere routes, slimme technologie, sensoren en schermpjes met het aantal vrije plekken. „Al werkt dat nog niet altijd even goed”, vertelt de stallingbewaakster. „En nu de trap hier weg is, kunnen ze zo doorfietsen naar beneden.”

Het heeft iets weg van een vrolijk Mario Kart-circuit, waar de bezoekers puur voor hun plezier vanaf suizen. De akoestiek is ook goed. Sluit je ogen en hoor de afzonderlijke geluiden uit alle richtingen: een derailleur ratelt, een rinkelend kettingslot tussen spaken door getrokken, een rek scharniert. En gehamer, uit het nieuwe, nog afgeschermde gedeelte. Daar timmeren ze een podium met lichtmasten voor morgen.

Onlangs miste ik in mijn eigen wijk de ‘feestelijke opening’ van de nieuwe afvalbakkenstraat. De wethouder kwam er speciaal voor langs. Hier verwacht je dus minstens de premier. Het blijkt een staatssecretaris, maar een spektakel belooft het wel te worden.

Zelfs de Chinezen sturen hun staatspersbureau langs. Die staan niet bekend om hun voorliefde voor zwierige anarchie. Maar dit efficiënte universum van wegwijzers, nummering en doorstroming zal ze doen kirren van afgunst.

De fietsenstalling, ooit het oord van de smoezelige ondeugd, nu een massale disciplineringsmachine.

Er komt ook poëzie op de muren, maar vast niet mijn favoriete fietsgedicht. Dat is van Lévi Weemoedt en begint zo: „Ik fiets maar door het Westland./ Ik maal de trappers rond./ Ik ben altijd zo treurig./ Maar fietsen is gezond.

Christiaan Weijts schrijft deze zomerweek op maandag, woensdag en vrijdag een column.