In ’89 scheurde in Hongarije het IJzeren Gordijn. Nu zijn ze blij met prikkeldraad

Hongarije Hongaren herdenken deze maandag dat ze dertig jaar geleden het IJzeren Gordijn opentrokken voor Oost-Duitsers. Nu is hulp aan vreemdelingen er niet meer vanzelfsprekend. Net zomin als de liefde voor Europa.

Massavlucht van DDR-burgers, nabij Sopron, Hongarije, op 19 augustus 1989.
Massavlucht van DDR-burgers, nabij Sopron, Hongarije, op 19 augustus 1989. Foto’s Hollandse Hoogte

Een toeristische trekpleister is het niet geworden, de plek waar het IJzeren Gordijn tussen Oost- en West-Europa in augustus 1989 het eerst scheurde. Het welvarende Hongaarse stadje Sopron heeft geen Koude Oorlog-relikwie zoals Berlijn Checkpoint Charlie heeft, waar drommen mensen voor in de rij staan. Sopron heeft alleen een dor grasveld met een monument. Een onbegaanbare wachttoren van waaruit de grens tussen communisme en kapitalisme bewaakt werd. Enkele meters gereconstrueerd schrikdraadhek. En een paar picknicktafels.

Schaarse opwinding komt deze middag van voetballende kinderen. Als één van hen de bal een onbeholpen trap geeft, rolt die zonder obstakels Oostenrijk binnen.

Het bezoekerscentrum is gesloten. Het wordt opgeknapt voor de herdenking waarbij Angela Merkel en Viktor Orbán deze maandag aanwezig zullen zijn. Het gaat om de dertigste verjaardag van de Pan-Europese picknick, een grensoverschrijdende vredesdemonstratie waarbij het honderden Oost-Duitsers lukte om naar het Westen te vluchten. De picknick toonde aan dat de collectieve opsluiting van burgers van communistische landen onhoudbaar was – drie maanden later viel de Berlijnse Muur.

„Wij hadden toen geen idee, maar de picknick was het eerste van de vallende dominosteentjes die tot de instorting van het Sovjetrijk leidden”, zegt Lászlo Nagy, destijds één van de organisatoren.

Het zette ook de politieke carrières van Merkel en Orbán in gang. Zij, de Oost-Duitse domineesdochter, werd de leider van de grootste liberale democratie van Europa en daarmee de Europese Unie. En hij, dertig jaar geleden dé Hongaarse progressieve belofte, stuurt nu binnen de EU het verzet tegen dat liberalisme aan. Hun ontmoeting geeft de viering een ongemakkelijk tintje. Het accentueert de ontgoocheling in Oost én West over de niet ingeloste verwachtingen van 1989: saamhorigheid, welvaart, vrijheid en gelijkheid.

‘We zijn nu ook gevangenen’

Vier Hongaarse gepensioneerden uit het nabijgelegen Györ reden toevallig langs deze historische plek. „Kijk”, zegt Zsuzsanna Horváth (68) wijzend maar de achterkant van het wit marmeren monument. „Hier staat: ‘In 1989 opende het ene onderdrukte volk de deur van zijn gevangenis voor een ander onderworpen volk.’ Maar wij zijn nu toch evengoed gevangenen?” Gevangenen, zo legt ze uit, „van de Europese Unie en van multinationals”.

Natuurlijk, geeft ze toe, is haar leven in verschillende opzichten beter dan dertig jaar geleden: ze heeft nu de vrijheid haar onbehagen uit te spreken. Maar haar pensioen als oud-bankemployee houdt niet over, de gezondheidszorg is slechter dan matig en ze maakt zich grote zorgen over immigratie. „Er is nu een ander systeem, maar zoals er vroeger in Moskou werd besloten hoe wij moeten leven, gebeurt dat nu in Brussel. En westerse bedrijven kopen hier alles op”, zegt Horváth. De ene overheersing van Hongarije is ingeruild voor de andere, vindt zij.

Haar instinctieve reactie vat samen hoe de liefde van veel Hongaren voor open grenzen en een verenigd Europa bekoeld is. Wat hier in Sopron overheerst, dertig jaar na het einde van het Oostblok en vijftien jaar na de toetreding tot de EU, is onvrede, teleurstelling en een gevoel van miskenning. Premier Orbán en propagandistische media wakkeren dit sentiment aan door de huidige internationale orde af te schilderen als de vijand in een permanent conflict over waarden, identiteit, soevereiniteit en grensbewaking.

Lászlo Nagy (62), met borstelige wenkbrouwen en golvend grijs haar, ziet een parallel in hoe Hongarije toen en nu de status quo doorbreekt. „Dertig jaar geleden moesten wij de omheining van onze gevangenis openbreken om Europa te herenigen. Nu hebben we er een gebouwd om Europa te beschermen.” Hij refereert aan een vier meter hoog hek dat Orbán in 2015 liet neerzetten aan de grens met Servië en Kroatië, om de toestroom van asielzoekers en andere migranten uit het Midden-Oosten en Afrika tegen te houden. In Sopron, de plek waar Oost-Duitse ‘gelukszoekers’ naar een beter leven geholpen werden, is het wantrouwen jegens vreemdelingen groot. Of het nu hedendaagse vluchtelingen zijn, de bezoekende Duitse bondskanselier, of westerse journalisten.

Goulashcommunisme

Dat het eerste dominosteentje juist hier omviel, en dat Nagy daarbij betrokken was, berust op toeval. Het ‘goulashcommunisme’ in Hongarije stond al decennia bekend als minder fnuikend dan dat in de oostelijke buurlanden. Met het aantreden van de hervormingsgezinde premier Miklós Németh hadden Hongaren in 1988 bovendien de vrijheid gekregen om zich politiek te organiseren en naar West-Europa te reizen. In juni 1989 was symbolisch het prikkeldraad tussen Oostenrijk en Hongarije al doorgeknipt, maar het land bleef verantwoordelijk voor het bewaken van het honderden kilometers lange IJzeren Gordijn. Het moest voorkomen dat Roemenen, Tsjechoslowaken en Oost-Duitsers de benen zouden nemen.

Nagy was scheikundig ingenieur in de plaatselijke textielfabriek en lid van het conservatief-rechtse Hongaars Democratisch Forum. Die nieuwe partij had het idee opgevat om een picknick te organiseren. „Het bleek heel moeilijk te zijn om een plek te vinden waar het IJzeren Gordijn nog intact was. Hier stond het hek nog”, vertelt Nagy.

Augustus 1989: Vluchtelingen uit de DDR reisden via Tsjechoslowakije en Hongarije naar Oostenrijk en van daaruit door naar West-Duitsland.

Achter dat lichtvoetige idee ging zware onzekerheid schuil. „De werkelijke reden voor de picknick was dat we bang waren dat de Hongaarse hervormingen zouden worden teruggedraaid.” Tot 1989 was het altijd zo geweest dat als één land aan het Warschaupact probeerde te ontglippen – Hongarije in 1956, Tsjechoslowakije in 1968 en Polen in 1980 – het door de Russen weer met geweld in het gareel geslagen werd. „We wilden op deze manier dapperheid tonen en anderen aanmoedigen zich ook onder het Sovietjuk uit te wurmen. We konden het niet alleen.”

Wat niet voorzien werd, was dat burgers van buurlanden het evenement zelf zouden aangrijpen om te ontsnappen. Al maanden waren veel mensen uit de DDR naar Hongarije gekomen in de hoop via die route hun weg naar West-Europa te vinden. Tussen de tienduizend picknick-gasten uit Hongarije en West-Europa, doken plotseling zeker zeshonderd Oost-Duitsers met een missie op: de feestelijke chaos benutten om het Oostblok te ontvluchten.

Luitenant-kolonel Árpád Bella was die dag verantwoordelijk voor de grensbewaking. Hij was zijn hele werkzame leven al grenswacht van het communistische regime „waarvan ik overtuigd was dat het eeuwig zou bestaan”, vertelt Bella (70) aan zijn keukentafel in zijn huis een half uur ten oosten van Sopron. Hij was het die, terwijl hij de opdracht had alle Duitsers tegen te houden, besloot om weg te kijken.

„Wij waren met z’n zessen. De enige manier om te voorkomen dat mensen overstaken – het waren er honderden, hele gezinnen, met bagage en kinderwagens – was op ze te schieten.” Zijn mannen zagen de Duitsers opduiken uit de maïsvelden en wachtten met paniek in hun ogen op Bella’s bevel. „Ik zei tegen ze: je bent alleen verantwoordelijk voor wat je kunt zien, dus kijk maar richting Oostenrijk.”

Augustus 1989: Hongaarse soldaten patrouilleren langs de grens met Oostenrijk.

De diepe rimpels rond Bella’s ogen verraden hoeveel uren hij aan de grens tegen de zon in getuurd moet hebben. Hij had het niet slecht onder het communisme, maar hij is nu trots en gelukkig onderdaan van de Europese Unie. „Als je me toen had verteld dat ik de wereld zou kunnen zien. Dat mijn kleinkind zou afstuderen aan de medische faculteit in Zürich, dan had ik je rijp voor het gesticht verklaard.” Maar hij heeft ook grieven. „Hongarije is nooit echt als een partner behandeld. Er wordt van ons verwacht dat we net zo worden als het Westen, maar wij zijn vijfhonderd jaar lang onderdrukt en bezet, dat gaat niet zomaar. Het ontbreekt aan respect, tolerantie en empathie.”

Wederzijdse desillusie

In West-Europa bestaat steeds minder geduld voor Hongarije, dat volgens liberale normen niet wil deugen. De desillusie in wat de transitie na 1989 teweeg zou brengen, is wederzijds. De regering die Viktor Orbán sinds 2010 leidt ontvangt miljarden euro’s per jaar uit de EU-pot, terwijl zij de democratie, de rechtsstaat, persvrijheid en mensenrechten beknot.

„Wij worden door het Westen gezien als ondankbaar. Maar waar moeten we dankbaar voor zijn? Nadat we in 1945 zijn verkocht aan Stalin, kwam met de uitbreiding van de EU het neokolonialisme”, zegt organisator Nagy. „Onze goedkope arbeidskracht wordt uitgebuit en tegelijkertijd krijgen we jullie producten door de strot geduwd. Daarom krijgen wij EU-geld, om westerse spullen te consumeren.”

Lees ook: Orbán-biograaf: ‘Hij doet zijn pauwendansje weer’

Nagy heeft zich opgeworpen als ambassadeur van de picknick, exegeet van de huidige kloof tussen West- en Midden-Europa, en verdediger van al Orbáns beslissingen – en zelfs corruptie. „Als een oligarch een Europese subsidie binnenhaalt om een weg aan te leggen en hij doet alsof die drie keer zoveel kost als in werkelijkheid, is dat goed. We mogen dat Europese geld namelijk alleen aan wegen uitgeven. Maar die oligarch investeert zijn geld wel in de Hongaarse economie”, aldus Nagy. „Oké, hij stopt het in zijn eigen bedrijven, hij is en blijft een dief. Maar zo hebben de Hongaren altijd overleefd.”

Materieel komen de inwoners van Sopron, een uurtje rijden van Wenen, weinig tekort. Tweetalige menukaarten verraden internationale klandizie. Op alle barokke gebouwen staat met hoeveel Europees geld ze gerenoveerd zijn. Ongeveer een derde van de inwoners verdient euro’s over de grens in Oostenrijk. Na een zware overgangsperiode eind vorige eeuw, heeft de industrie plaatsgemaakt voor dienstverlening en is de werkloosheid laag.

Rita Kovács (52), een vlotte vrouw in spijkerjasje, is zelfstandig tandarts. Eén van de maar liefst zeshonderd op een inwoneraantal van ruim 60.000. Vrijwel al haar klanten zijn Oostenrijkers die hier veel goedkoper en in hun eigen taal geholpen worden. Als iemand geprofiteerd heeft van de open grenzen, is zij het wel. Toch is ook Kovacs ontevreden. „Ik zie niet wat voor Hongarije de voordelen zijn van EU-lidmaatschap. We krijgen bijvoorbeeld fondsen om moderne ziekenhuizen te bouwen, maar de gebouwen staan leeg omdat we het geld niet mogen uitgeven aan behoorlijke salarissen van dokters en zusters. Leraren verdienen bijna niks. Al onze hoogopgeleiden trekken weg.”

Van links naar rechts: Árpád Bella, Rita Kovács en Lászlo Nagy.

Ondertussen laten andere lidstaten volgens haar veel te makkelijk niet-westerse migranten binnen. „Mensen die niet werken, maar alleen van de sociale voorzieningen profiteren”, zegt ze zonder aarzeling. Ook weet ze zeker dat migranten „vies en gewelddadig” zijn en „vrouwen verkrachten”. Zelf kent ze zulke mensen overigens niet. De route die migranten namen om via Hongarije Duitsland te bereiken liep niet door Sopron. Ze hoort erover van Oostenrijkse patiënten. „Wij hebben hier in Sopron alleen één kebabzaak en dat willen we graag zo houden.”

Selectieve gastvrijheid

Migratie – van het beruchte grenshek en de onwil om vluchtelingen over Europa te spreiden tot het laten verhongeren van asielzoekers in vreemdelingendetentie – is maar een van de vele conflicten tussen Brussel en Hongarije. Maar inwoners van Sopron beginnen er stuk voor stuk over: hoe de EU aan hen migranten wil opdringen en westerlingen het gevaar van de islam onderschatten. Wie Hongaars nieuws consumeert, denkt dat Europa permanent in de migratiecrisis van 2015 verkeert. Hongarije staat daarin overigens niet alleen. Wie bij het picknickmonument van Sopron de grens over wil, treft sinds een paar jaar weer Oostenrijkse grenswachten.

Het is moeilijk om de gastvrijheid en de hulp van Sopron aan Oost-Duitse gelukszoekers te rijmen met de huidige opstelling tegenover migranten. In 1989 publiceerde organisator Lászlo Nagy een pamflet voor de picknick dat begon met de tekst: „De enige kans op wereldvrede is beter begrip tussen de volken en de vernietiging van prikkeldraad en culturele barrières.” En „menselijke relaties die verschillen in nationaliteit en ideologie overstijgen”. Nu noemt hij West-Europeanen hopeloos naïef als het op migratie aankomt. „Ze hebben zo lang in vrede en vrijheid geleefd, dat hun politieke immuunsysteem niet meer werkt.”

En die toenmalige wens van open grenzen? „Dat gold alleen voor binnen Europa, we moeten onszelf beschermen tegen de mensen erbuiten. De mensen uit de DDR waren net zo goed op zoek naar een beter leven, hen kenden we, ze hoorden bij Europa. Nu hebben we geen idee wat voor kleurrijks er allemaal binnenkomt.” Net als tijdens het communisme, heeft Orbán hulp aan vluchtelingen strafbaar gemaakt.

Hongarije, met zijn westelijke ligging, lange staatkundige geschiedenis en relatief milde communistische dictatuur, had in 1989 de beste positie om zich tot een bestendige democratie te ontwikkelen. In plaats daarvan speelt het nu een autocratische voortrekkersrol in de regio. Nagy ziet dat als positief. „Nee, we zijn niet de beste leerling van de klas, die braaf naar de juf luistert. Met Orbán hebben we een leider die vecht voor de belangen van Hongarije. Eindelijk bepalen we ons eigen lot. Daar moet de rest van Europa maar eens aan wennen.”